De Indo-Europese talen (vroeger Indo-Germaanse talen genoemd) vormen een grote taalfamilie. Indo-Europese talen worden over vrijwel de hele wereld gesproken, maar vinden veelal hun oorsprong in Europa en Zuidelijk Azië. De grootste subgroepen (in aantallen sprekers) zijn:
Ook Latijn en Oudgrieks, die op het gymnasium worden onderwezen, zijn Indo-Europese talen.
In totaal heeft bijna de helft van alle mensen op aarde een Indo-Europese taal als moedertaal. Daarnaast kennen veel mensen een Indo-Europese taal als tweede taal. Vaak is dit Engels, dat veel wordt gebruikt in de internationale handel en politiek, en thans de lingua franca van de huidige wereld is. Op grond van deze talen is een hypothetische oertaal geconstrueerd, het Proto-Indo-Europees.
Inhoud |
Vroeger was de meest elementaire tweedeling van de Indo-Europese talen de indeling in Kentum- en Satem-talen, respectievelijk genoemd naar het woord voor 100 in het Latijn (centum, oorspronkelijke uitspraak kentum) en het Avestisch, een Iraanse taal (satəm). Dit verschil is een van de kenmerkende verschillen tussen de beide taalgroepen. Deze klankverschillen werden vooral gezien als een geografisch onderscheid. De kentum-talen werden in het westen gesproken en de satəm-talen in het oosten. Deze indeling kwam echter op losse schroeven te staan toen men in het begin van de 20e eeuw het Tochaars ontdekte. Het is een van de oostelijkste Indo-Europese talen, maar toch een kentumtaal.
Het Germaans, waaronder het Nederlands, behoort tot de kentum-talen, hoewel dat niet direct is te onderkennen. De 'k' heeft zich in de Germaanse talen namelijk verder ontwikkeld tot een 'h'-klank. Het woord 'honderd' is dan ook verwant met het Latijnse 'centum' (uitspraak 'kentum'), zoals ook 'hond' en 'hoofd' verwant zijn met 'canis' en 'caput'.
Uit het Proto-Indo-Europees, de gereconstrueerde voorouder van de Indo-Europese talen, zijn deze taalfamilies ontstaan (in chronologische volgorde) (K toont kentum-talen, S satem-talen, † is uitgestorven):
Een aantal Indo-Europese talen dat in de oudheid werd gesproken is onvoldoende bekend om het goed in dit schema te passen. Dit geldt voor:
Het Indo-Europees wordt veelal gesproken door mensen van etnisch Indo-Europese origine. Maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. In de praktijk blijkt dat onderling niet verwante volkeren elkaars taal gemakkelijk kunnen overnemen. Bij DNA-vergelijking van zeer oude skeletten met de huidige Europese bevolking is naar voren gekomen dat er een zeer nauwe verwantschap is. De conclusie lijkt te zijn dat de huidige bevolking in essentie rechtstreeks afstamt van de allereerste bewoners uit het paleolithicum. Talen verspreiden zich echter veel sneller dan volkeren en de connectie tussen taal en ras is zelden makkelijk te onderscheiden.
|
mid-3de millennium v.Chr. verspreiding
|
|
mid 2de millennium v.Chr. verspreiding
|
|
verspreiding in ongeveer 500 v.Chr.
|
Het is niet zeker waar het Proto-Indo-Europees zijn oorsprong heeft. De meeste theorieën daarover plaatsen de woonplaats van de sprekers van het Proto-Indo-Europees ergens ten noorden van de Zwarte Zee rond 6000 jaar geleden. Men spreekt in dat verband wel van de Koergan-expansie. Er is echter ook een hypothese dat het Indo-Europees er al eerder was, zo rond 9000 jaar geleden en dat de groei van taal te danken is aan de ontdekking van de landbouw in Anatolië. Een glottochronologisch onderzoek van 2003 van Russel D. Gray en Quentin D. Atkinson heeft een stamboom van de taalfamilie opgeleverd met schattingen voor de verschillende aftakkingen van de boom. De schattingen voor de oudste aftakking, die naar de Anatolische groep ondersteunt duidelijk de Anatolische hypothese. Er is echter een aantal aftakkingen rond 7000-6000 jaar geleden. Het is daarom goed mogelijk dat de familie eerst in Anatolië ontstaan is maar dat een groep die het gebied later verlaten heeft verantwoordelijk was voor een Koergan-expansie. Het artikel van Gray en Atkinson is echter zeer omstreden onder specialisten op het gebied van het Indo-Europees. De methode die ze gebruiken is zeer onnauwkeurig. Tot er een veel nauwkeurigere analyse van de Anatolische theorie is komt lijkt de Koerganhypothese waarschijnlijker. Volgens een (niet onomstreden) theorie is het Proto-Indo-Europees ontstaan als tak van een oudere supertaalfamilie, het Nostratisch.
Er zijn maar een paar talen in Europa die niet tot deze taalfamilie behoren. De belangrijkste zijn het Baskisch, het Maltees en de Finoegrische talen, waartoe het Fins, Samisch, het Estisch en het Hongaars behoren. In vroeger tijden werden er veel meer niet-Indo-Europese talen gesproken in Europa, zoals het Etruskisch, het Rhaetisch, het Iberisch en volgens sommigen het Pictisch.