| Geschiedenis van Griekenland |
|
..Naar chronologie
|
De Minoïsche beschaving is een neolithische en bronstijdbeschaving uit het oude Griekenland, die vanuit Kreta van ongeveer 3500 tot ongeveer 1350 v.Chr. over het Middellandse Zeegebied verspreid floreerde.
Inhoud |
De Minoïsche beschaving heerste in Knossos, op het eiland Kreta van ongeveer 3500 v.Chr. tot ongeveer 1350 v.Chr.. Zij ging aan de Myceense en vervolgens de klassiek Griekse beschaving vooraf. Vele Griekse mythen en legenden zijn op de Minoïsche beschaving terug te voeren waaronder de legende van de Minotaurus in het labyrint van Knossos. De benaming Minoïsch werd op basis daarvan door de archeoloog die in belangrijke mate tot de herontdekking van deze beschaving heeft bijgedragen (Arthur John Evans) voorgesteld. Er waren belangrijke handelsbetrekkingen over zee met de Cycladen en met grotere beschavingsgebieden op het vasteland zoals het Oude Egypte, Anatolië en Kanaän. Hoe de Minoïsche bevolking zichzelf noemde is niet bekend, maar wel is geweten dat zij in het Oude Egypte keftioe genoemd werden. Ook in de Bijbel komt een naam Kaftor voor, die op het eiland Kreta betrekking heeft.
| Minoïsche beschaving | |
|---|---|
| Geschiedenis van de Minoïsche beschaving | |
| Minoïsche maatschappij | |
| Minoïsche kunst | |
| Minoïsche architectuur | |
Waar de Minoïers vandaan kwamen is nog steeds onduidelijk. Er zijn onderzoekers die menen dat ze vanuit Klein-Azië Kreta binnenvielen en zich vermengden met de oorspronkelijke bevolking die er nog leefde als jagers-verzamelaars. Anderen menen dat de Minoïers uit de oorspronkelijke bewoners zelf voortkwamen. Deze zouden zich op hun beurt ooit als kolonisten vanuit Anatolië op het eiland hebben gevestigd, kort na de neolithische revolutie. In ieder geval was hun, nog steeds onbekende, taal niet Indo-Europees en ze verdween tegelijk met hun beschaving. Volgens archeologische opgravingen troffen de kolonisten uit het Vroeg Neolithicum oorspronkelijk alleen herbivoren aan: oeros, nijlpaard, olifant, tarpan, ibex, herten en de kri-kri geit die alleen op Kreta bestond. Deze dieren hadden een dwergvorm ontwikkeld, terwijl normaal kleinere zoogdieren juist in reuzenvormen voor kwamen. Kort na het verschijnen van de mens zijn al deze soorten uitgestorven, hetzij door overbejaging, hetzij door verstoring van hun ecosysteem, hetzij door beide.
De neolithische menselijke bewoners gebruikten vergankelijk materiaal voor hun huisraad, zoals manden. Later bleken ze eenvoudig huisgerei van klei te maken en in open vuren te bakken. Dit aardewerk was dan ook grof, donkerrood tot zwart gekleurd en met gladgewreven wanden. Er stonden geometrische figuren op als decoratie en er was een brede opening aan de pot die later naar een tuitvorm evolueerde.
Uit archeologische sleuven onder het paleis van Knossos, die men tot op de rotsbodem doortrok, blijkt verder dat een Vroeg Neolithisch dorp daar huizen met stenen fundering bezat en met muren van gestapelde kleitegels, die in de zon gedroogd waren en dus erg vergankelijk op termijn. Er is uit deze periode slechts een enkele site opgegraven, terwijl men merkt dat het aantal sites toeneemt in de lagen van resp. het Midden Neolithicum en het Laat Neolithicum. Aan het eind van het Neolithicum zijn er nederzettingen over alle streken van Kreta. Daaronder zijn ook grotten. De nederzettingen van Knossos en Phaestos groeiden in die tijd van drie naar vijf hectaren oppervlakte. Er komt obsidiaan en koper voor in de gebruiksvoorwerpen, wat op contacten met de Cycladen en met Cyprus wijst. Men ontdekt nu ook figurines en het aardewerk wordt gesloten van vorm.
Het aardewerk tijdens het Vroeg Minoïsch lijkt sterk op dat van Anatolië in die periode. Het aardewerk dat als grafgift werd meegegeven was vrijwel identiek met dat van de Cycladen. Een grafveld bestond uit een 300-tal graven, eenvoudige in de rots uitgegraven kamers. Mogelijk hoorde het bij een nederzetting van nieuwe kolonisten. Plaatselijk was er blijkbaar ook metaalbewerking.
Door verschillende types van aardewerk kan men de opeenvolgende perioden bepalen.
Toen de mensen voor het eerst voet aan wal zetten op Kreta, troffen zij daar een geheel eigen flora en fauna aan in een ecosysteem dat zich volledig met de condities van het eiland had geïntegreerd. Zo leefden er aanvankelijk nijlpaarden en olifanten niet groter dan een klein veulen. Bij afwezigheid van natuurlijke vijanden als leeuwen en tijgers had de natuurlijke selectie voor deze dwergexemplaren gezorgd, die er best gedijden. Ze zijn nadien vrij spoedig uitgestorven, hetzij rechtstreeks bejaagd door de mens, hetzij omdat hun ecosysteem werd verstoord, of beide.
Voor de eerste kolonisatie van een eiland is de samengang van de 'neolithische cultuurset' vereist (d.w.z. aanwezigheid van grondwater, landbouwgebied, een rietveld, voldoende jachtgebied en nabije verbinding met andere centra voor uitwisseling van ontbrekende goederen en mensen). Een eiland dient daartoe van minimale omvang te zijn. Kreta beantwoordde ruimschoots aan deze vereisten zodra de scheepstechnologie de reis op zee over deze afstanden toeliet.
Kreta lag op de noord-zuidelijke vaarroute vanuit Santorini en die vormde de kruising met de vroegste oost-west vaarroutes die de Cycladen verbonden met Anatolië. Dit maakte de ligging uiterst geschikt voor zeehandel, die dan ook een belangrijke rol speelde in het bestaan van de Minoïsche samenleving. Op Minoïsch Kreta werd o.m. voor de stedelijke paleizen marmer gebruikt dat vanuit Naxos was aangevoerd. Dit marmer was van de beste kwaliteit. De Minoïers voeren door tot in Attika om daar de ijzerertsmijnen te bedienen en het erts te vervoeren via de Cycladen, over Cyprus naar Anatolië. Tegelijk namen ze obsidiaan en koper mee en ze voerden ook eigen aardewerk en stoffen uit (waaronder het safraangeel). Op de noordoostkust van Kreta is een heel handelsdepot ontdekt uit de begintijd. Daar vonden archeologen dezelfde soort potten als er op Naxos in gebruik waren, wat op een verdere kolonisatie vanuit de Cycladen zuidwaarts kan wijzen.
Tijdens het Midden Minoïsch IA grijpt er internationalisering van de oostelijke zee plaats. Tot dan waren hoofdzakelijk de Minoïsche Kretenzers er meester geweest met hun vaarroutes in de richting van de klok langsheen de kusten van Klein-Azië tot het Oude Egypte en Libië.
Rond 2000 v.Chr. zijn er overal rond de Middellandse Zee brandlagen te vinden. Ook op Kreta zijn toen sites verwoest. Na de ramp op Santorini, die tegenwoordig tussen 1613 en 1615 v.Chr. wordt gedateerd aan de hand van gevonden olijfhout, viel de noord-zuid verbinding via Santorini weg. De vloten en havens waren trouwens verwoest na een tsunami van 28 meter hoog die over de Kretenziche kusten was gespoeld. Het transport van ijzererts vanuit Attika werd nu door de steeds meer ondernemende Myceners georganiseerd, nadat zij eerst een tijdje tol hadden gevraagd van de voorbijvarende Kretenzers om tijdelijk aan te leggen. De Myceense bewoners van de Peloponnesos bouwden de oostroute naar Anatolië verder uit en 'concurreerden' daarbij de laatste Minoïsche Kretenzers weg. Ten slotte namen zij ook de nieuwe minder rendabele zeeroute naar Kreta over en palmden allengs het eiland meer en meer zelf in. Daarbij lieten zij de daar aanwezige ambachtslieden hun oude kunst voortzetten, maar nu in dienst van de nieuwe heersers.
De Minoïsche beschaving kwam aan haar eind met de verovering van Kreta door de Myceners van het Griekse vasteland. Tot voor kort werd vrij algemeen aangenomen dat de Minoïers al ernstig verzwakt waren door de enorme vulkaanuitbarsting op Thera en dat de legende van Atlantis in deze gebeurtenis eveneens haar oorsprong vindt. Inmiddels is gebleken dat die uitbarsting plaatsvond in 1628 v.Chr. en dat maakt deze interpretatie wat minder waarschijnlijk.
Een andere versie is dan weer dat de Minoïsche beschaving zou vernietigd zijn door een aardbeving, die gepaard ging met de vulkaanuitbarsting op Thera. Hierdoor klapte het overzeese handelsnetwerk in elkaar, raakte het volk helemaal verzwakt en werd dan onder de voet gelopen. In ieder geval is een groot kustgebied onder de zeebodem verdwenen, samen met een aantal havens en hun hele handelsvloot.
In het Laat Minoïsch III van ca. het 1e millennium v.Chr. zijn er sporen van het gebruik van vluchtnederzettingen in de heuvels, ver van de kust en met voldoende zicht daarop, die wijzen op een gevoel van onveiligheid. Het ging om oorden die rond het 5e-4e millennium v.Chr. ook al in gebruik waren geweest. Velen waren blijkbaar berooid en dakloos en vluchtten ook overzee (o.a. Cyprus, Palestina e.d.m.)
De Myceners namen op Kreta zoveel mogelijk de zaken over zoals ze waren of pasten die aan. Zij gebruikten het Lineair B schrift, ontcijferd door Ventris, een vroege vorm van de Griekse taal. Zij lieten de Minoïers voor hen werken uitvoeren en zaken opknappen in ongeveer dezelfde stijl waarin die voorheen hadden gebouwd en geproduceerd. Alleen was alles nu minder verfijnd en van een geringere kwaliteit. De Myceners hadden zelf weinig cultuur en hechtten er ook minder belang aan. De Myceense stijl is dan ook een soort replica van de oorspronkelijke Minoïsche stijl. Van zichzelf kwamen ze nooit tot grote verwezenlijkingen al leende hun naam er zich wel toe om spoedig die van de Minoïers overal te vervangen.
De Minoïsche beschaving is verder bekend wegens de voortreffelijke keramiek en fresco's. Ook had de hogere klasse de beschikking over 'moderne faciliteiten' als stromend water en riolering. De Minoërs kenden het schrift, eerst schreven zij een soort hiërogliefen, later in wat bekend staat als het Lineair A. Het laatste was waarschijnlijk een lettergreepschrift. De taal die zij spraken is echter onbekend en niet verwant aan het Indo-Europese Grieks.
Het Vroeg Minoïsch I toont graven met identieke figurines en voorwerpen zoals die op de Cycladen zijn gevonden. Recent is ook ontdekt dat zich op het noordoosten van het eiland een handelspost uit die tijd bevond, van waaruit bijvoorbeeld potwerk naar de regio van Knossos werd geleverd (aangezien hetzelfde aardewerk ook daar is gevonden). In het noorden zijn tholoi (ronde graven) ontdekt die ruim genoeg waren voor een hele clan. Een nieuwe overledene werd er telkens in het midden bijgezet, terwijl het oude gebeente naar de randen werd opgeschoven. De ingang was naar het oosten gericht en ze waren voorzien van enkele voorgebouwen zoals bij Egyptische graven. Er zijn aanwijzingen dat kennis van de astronomie reeds vroeg aanwezig was. In Archanis zuid van Knossos werd een grafveld gevonden met cycladenidolen, Kretenzisch hiëroglyfisch schrift op zegels en cystrums (dit laatste zou op een Isiscultus wijzen.
De graven in het zuiden in dezelfde periode waren rechthoekig en bevatten mooie voorwerpen, waaronder gouden en keramieken, die afkomstig bleken uit de Cycladen. Hiermee wordt een verband gelegd met de Anatoliërs, aangezien deze alom bekend stonden om hun smeedkunst, die zij eveneens op Cyprus uitoefenden. Veel van dezelfde metalen voorwerpen van hen afkomstig zijn ook gevonden op het eiland Paros.
Het Lineair A schrift werd gehanteerd. Tijdens de aanvang van het Midden Minoïsch ontstond een internationalisering van het handelsverkeer over de oostelijke Middellandse zee. Uit die periode vindt men op een grafveld in Archanis (zuid van Knossos) op Kreta grote aantallen figurines, zegels met Kretenzisch hiërogliefenschrift en sistrums die aan de cultus van Isis appelleren. Archeologen stellen zich dan ook de vraag in hoeverre de Egyptische cultuur de Minoïsche beïnvloedde.
Verder treft men bergtopheiligdommen aan zoals in Iuktas (bij Iraklion), waar veel figurines van dieren en mensen worden aangetroffen.
Aan het eind van het Midden Minoïsch I (eind 3e millennium v.Chr.) is er blijkbaar veel verwoesting,mogelijkerwijze ten gevolge van een tsunami veroorzaakt door de uitbarsting van de vulkaan van Santorini. Volgens sommige geleerden zou deze ramp de historische kern vormen van de mythe van Atlantis.
Het Midden Minoïsch II wordt gekenmerkt door de vondst van Kamares aardewerk, dat zonder draaischijf werd gemaakt, maar zeer fijn was ('eierschaalwerk'), polychroom en rijk versierd. De motieven nemen vaak de vorm van de vaas mee. De handel bleef toenemen, want men vond nu Minoïsche producten in het Oude Egypte en in de Levant. Al zijn de contacten met de noordelijk gelegen Cycladen eerder beperkt, toch bereikt Minoïsch aardewerk het Griekse vasteland.
Midden Minoïsch III en het Laat Minoïsch I vormen samen de 'neopalatiale' fase. De zogenaamde paleizen bereiken hun grootste omvang. Zij zijn gevonden bij de meeste grote nederzettingen, waarvan Knossos de grootste was, gevolgd door Mallia, Phaistos, Kato Zakros en nog een zevental andere. Bestaande paleizen werden toen uitgebreid en nieuwe bijgebouwd. Deze gebouwencomplexen blijken meerdere functies te hebben gehad, waaronder administratieve, religieuze en economische. Opvallend is het steeds weerkerend algemeen grondplan met een groot plein in het westen met verhoogde paden leidend naar een westelijke vleugel, die samen met een hypostyle zaal in het noorden en een oostelijke vleugel een wat intiemere binnenkoer omsluit, die aanvankelijk aan het zuiden open was. De vleugels bevatten talloze voorraadkamers. Op de westerkoer is ook een ceremoniële trap en zijn grote ronde gaten (meestal drie op een rij) teruggevonden waar ooit heilige bomen in stonden, maar die later waren toegedekt.
De Minoïsche architectuur is vooral bekend voor haar paleizenbouw, maar dit is niet het enige wat ze heeft voortgebracht. Naast schitterende paleizen werden ook de Minoïsche huizen op monumentale wijze uitgewerkt. Typisch voor de Minoïsche bouwstijl zijn de zware zuilen die onderaan smaller toelopen dan boven. Ze werden gekleurd in donker rode oker. De architectuur is in het algemeen functioneel. In het Paleis van Knossos vallen de dikke muren uit nauwkeurig gesneden en gestapelde grote stenen op, die voor voldoende acclimatisering zorgden. Ook de aanleg van watertoevoer en afvoerkanalen werd voldoende beheerst. Gebouwen en woningen werden in meerdere verdiepingen opgetrokken.
De Minoïers waren vooral een handelsvolk dat gedurende de bronstijd de handel van de Middellandse Zee beheerste (thalassocratie?), en dan voornamelijk de handel in tin en koper, de grondstoffen voor brons. Toen het belang van brons verminderde liep ook de invloed van Kreta terug. Zij hebben zich nog een tijd op transport van ijzererts vanuit Attika via Naxos en Santorini naar Anatolië toegelegd. Maar na de grote vulkaancatastrofe van Thera waren hun havens en schepen vernield en was bovendien de belangrijke tussenstop Santorini weggevallen.
De Minoërs hadden in de bloeidagen handelscontacten met onder andere Egypte. Er zijn aanwijzingen dat de Minoërs zelfs voorbij Gibraltar naar de West-Europese kusten voeren zoals Zuid-Spanje en Groot-Brittannië. Waarschijnlijk was het legendarische Tartessos oorspronkelijk een handelspost van de Minoërs. De Myceners en Feniciërs namen geleidelijk hun positie over als handelaars en zeevaarders.