Een mottekasteel is een vroeg middeleeuws burchttype dat meestal in hout werd opgetrokken. Het hoofdkenmerk was dat het stond op een motte, een kunstmatig aangelegde aarden heuvel. Het mottekasteel zelf bestond veelal uit een een torenvormig gebouw. Heden ten dage resteert vaak slechts de heuvel.
Inhoud |
In Vlaanderen is vooral de term mote courant, hoewel ook de termen mot, en motteken voorkomen. In Nederland komen naast deze termen meerdere andere voor, nl. werf, bergh, barch, borg, huus, casteel, die allen op een motteversterking betrekking kunnen hebben. In Friesland heten de motteheuvels hege wieren, terwijl deze in Zeeland vliedbergen worden genoemd.
De meest voorkomende verschijningsvorm van een mottekasteel bestond uit 2 gedeelten, een hoofdburcht en een of meer voorburchten. Beiden waren gebouwd op kunstmatige heuvels die meestal waren omgeven door een gracht en een houten omwalling die later vaak werd vervangen door een stenen muur. Op de hoogste motteheuvel (de opperhof) werd een donjon, een kasteel, een burcht of een ander verdedigingswerk aangelegd. De motteheuvel met zijn toren vertegenwoordigde het residentiële (adellijke) en militaire karakter van de site [1]. Verder bestond het mottekasteel uit een of meer lager gelegen voorburchten (de neerhof). Hier stonden de nutsgebouwen met soms een kapel of het eigenlijke woonhuis van de heer in het geval dat de donjon enkel als noodverblijf werd gebruikt. De neerhof vertegenwoordigde dan het dagelijkse leven. Een zeldzame variant van het mottekasteel is de abschnittsmotte waarbij de motteheuvel gecreëerd is door gedeeltelijke afgraving van een heuvelrug. Een andere zeldzame verschijningsvorm is de dubbelmotte waarbij op het terrein 2 opperhoven gelegen zijn. Een voorbeeld hiervan is Eriksvold op Lolland in Denemarken.
De afmetingen van de motteheuvel varieerde gemiddeld tussen 20 en 100m diameter; de hoogte kon tussen 3 en 20 meter bedragen. De aarde voor de heuvel werd dikwijls verkregen door het uitgraven van een gracht rond het bouwwerk.
Een speciaal type van motteversterking is de shell keep. Met deze, uit het Engels overgenomen term wordt in de castellologie verwezen naar mottekastelen waarbij de houten palissade die de heuvel bekroont, vervangen is door een stenen omheiningsmuur die de plateaurand van de heuvel volgt. De toren neemt hierbij geen centrale plaats in, maar is tegen de muur aangebouwd. Indien van toepassing worden ook de nutsgebouwen verwerkt in deze stenen omheiningsmuur, waardoor een cirkelvormige binnenplaats ontstaat. Voorbeelden van dit type vinden we zowel in de Lage Landen (Leiden, Kessel), Groot-Brittannië (Restormel, Arundel) als in Frankrijk (Gisors).
Deze versterkingsvorm wordt traditioneel een ontstaan toegedicht ergens aan het eind van de 10e eeuw, in de gebieden tussen de Rijn en de Loire. De oudste afbeelding van een mottekasteel vinden we terug op het Tapijt van Bayeux. In de loop van de 11e en de 12e eeuw kent deze versterkingsvorm vervolgens een hoogtepunt en een grote verspreiding: tegen de 13e eeuw vinden we ze terug van Denemarken tot Italië en van de Atlantische kust tot Polen. Het succes van deze versterkingsvorm valt te verklaren door:
Na de 13e eeuw neemt het mottekasteel in belang af door de opkomst van nieuwe versterkingsvormen en wordt ze in het landschap gaandeweg vervangen door stenen constructies. Toch komen ook later nog mottekastelen voor, maar het betreft hier dan vooral constructies met een symbolische functie (als statussymbool) en niet langer met een dominante militaire functie.
Er kunnen verschillende soorten mottekastelen worden onderscheiden naargelang hun doel: aanvalsmottes, verdedigingsmottes en mottekastelen met een residentiële functie. Vaak is een mottekasteel niet louter in één categorie onder te brengen, maar cumuleert ze meerdere van deze functies tegelijk. Wat de verdediging betreft onderscheiden we publieke functies (het verdedigen van een grondgebied, cfr. verdedigingsmottes), private functies (verdedigen van het huis van de heer, samenlopend met het residentiële aspect), actieve verdedigende functies (het veroveren en onderwerpen van een gebied) en passieve verdedigende functies (het beschermen van een gebied, cfr. de publieke functie). Naast dit defensieve aspect had het mottekasteel ook vaak een residentiële functie, als de residentie van een adellijke figuur. Verder had het mottekasteel ook een niet te onderschatten sociale functie als statussymbool, d.w.z. als symbool van de heerlijke macht. Het optrekken van een kasteel was immers niet iedereen gegund.
Motteheuvels komen in Twente een aantal maal voor in waterrijke en moerassige gebieden.
Motteheuvels komen in de Achterhoek veelvuldig voor. De grootste motteheuvel van Nederland ligt in Montferland in de gelijknamige gemeente, waar een heuvel kunstmatig is verhoogd.
Het eerste kasteel van Gouda van de heren van der Goude lag op een motte.
Ook in Zeeland komen motteheuvels voor, daar worden ze vliedbergen genoemd.
In Friesland worden de motteheuvels stinswieren of Hege wieren genoemd.
| Bronnen, noten en/of referenties: |
|