Met nationaliteit kunnen meerdere zaken aangeduid worden:
In Nederland wordt meestal de eerste definitie gebruikt, om geen verwarring te krijgen met de etniciteit.
Inhoud |
Omdat in Nederland staat en volk voor een groot deel samenvallen, is het besef van verschil tussen nationaliteit en staatsburgerschap afwezig. In Nederland en in de Nederlandse wetten wordt daarom over het algemeen volstaan met de aanduiding nationaliteit, wat dan in de zin van 'staatsburgerschap' wordt gehanteerd. In de meeste andere landen (vgl. België of Spanje) ligt deze kwestie gevoeliger. In Nederland wordt vaak het woord 'etnisch' toegevoegd om duidelijk te maken dat men het niet over staatsburgerschap heeft, maar over nationaliteit. Zo werden tijdens de oorlog in Joegoslavië strijdende partijen doorgaans als etnische Serviërs, etnische Kroaten en etnische Bosniërs aangeduid.
In het algemeen registreert een staat wie haar staatsburgers zijn. Vaak is iemand staatsburger van de staat waarin hij of zij is ingeschreven in het bevolkingsregister. Het staatsburgerschap houdt onder andere in dat de staat haar ingezetenen geen toegang tot haar grondgebied mag weigeren. Een staatsburger maakt doorgaans aanspraak op sociale en medische voorzieningen in een land. Het staatsburgerschap kan bewezen worden door een paspoort of identiteitsbewijs.
Iemands kan staatsburgerschap verkrijgen door onder andere:
Iemand kan zijn staatsburgerschap verliezen door onder andere:
Het toekennen van staatsburgerschap door geboorte is de gebruikelijkste vorm. Men kan hierbij het Jus Soli (grondrecht - het land waar het kind geboren is) of het Jus Sanguinis (bloedrecht - het staatsburgerschap van de ouders) volgen. De meeste landen hanteren een combinatie van beiden.
Iemand zonder staatsburgerschap is staatloos totdat een staat die persoon een staatsburgerschap verleent. Leden van de Verenigde Naties hebben afgesproken stateloosheid zoveel mogelijk te voorkomen: het ontnemen van iemands staatsburgerschap mag er niet zonder meer toe leiden dat iemand stateloos wordt.
Iemand kan de nationaliteit of het staatsburgerschap van twee landen hebben. Men spreekt dan over een dubbele nationaliteit.
In Nederland wordt het staatsburgerschap in de regel verkregen door geboorte. Hoofdregel van de Rijkswet op het Nederlanderschap is dat iemand Nederlander is, als op het moment van geboorte één der ouders Nederlander is. De rijkswet trad in 1984 in werking. Een verandering ten opzichte van de "Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap", uit 1892, is dat nu ook de nationaliteit van de moeder bepalend is, voordien gold de nationaliteit van de vader (tenzij de vader onbekend was).
Voor het volgen van de nationaliteit van de vader moet er overigens wel sprake zijn van een huwelijk dat al drie maanden voor de geboorte bestond óf van een drie maanden voor de geboorte erkend kind. Erkenning na de geboorte is mogelijk, maar lastiger.
Nederland volgt het grondrechtbeginsel in twee bijzondere gevallen:
Nederland neemt in beginsel maatregelen ter voorkoming van gevallen van dubbele nationaliteit: buitenlanders die Nederlander worden, worden geacht afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit. Vaak gaat dat automatisch bij het aannemen van de Nederlandse nationaliteit, maar soms is een offciële verklaring van afstand nodig. In enkele gevallen is afstand doen van de oorspronkelijke nationaliteit onwenselijk (bijvoorbeeld in verband met erfrecht in het land van oorsprong) of zelfs onmogelijk (omdat het land van oorsprong het simpelweg niet toestaat). In die gevallen kan worden afgezien van de eis afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
Nederland kent geen voorbehoud ten aanzien van dubbele nationaliteit die door geboorte is verkregen. Sommige landen stellen als eis dat onderdanen voor het 18e, 21e of 24e levensjaar een keuze maken voor het behoud van één nationaliteit en het laten vallen van de andere. De Rijkswet op het Nederlanderschap maakt het wel mogelijk dat personen, die in het buitenland aan die eis moeten voldoen, afstand kunnen doen van hun Nederlandse nationaliteit.
Rijkswet op het Nederlanderschap, art. 1.2.a., 1.2.b. en 9.3.d.: huwelijk of (erkend) geregistreerd partnerschap met een Nederlandse onderdaan telt als uitzondering t.o.v. afstandsplicht;
Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap, Hoofdstuk II, Afdeling III (Vrijstellingen van de afstandsverplichting), Artikel 6:
De Nederlandse nationaliteit gaat in het algemeen verloren door het vrijwillig aangaan van een andere. Hier zijn uitzonderingen op: indien het verkrijgen van de vreemde nationaliteit het gevolg is van een huwelijk of geregistreerd partnerschap[2] een uitzondering wordt gemaakt. Er zijn ook andere uitzonderingen voorzien door Rijkswet op het Nederlanderschap[3]. Indien het vrijwillig krijgen van een andere nationaliteit is gebeurd voor 1 april 2003, dan is het Nederlanderschap automatisch verloren. Een optie procedure is dan nodig voor het opnieuw verkrijgen van het Nederlanderschap.
Volgens de "Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap" (1892) verviel de Nederlandse nationaliteit als een Nederlander in vreemde krijgsdienst trad. Tussen 1892 en 1985 heeft de wetgever echter diverse malen moeten ingrijpen om het verlies van Nederlanderschap door vreemde krijgsdienst ongedaan te maken. Het verdrag van New York om statenloosheid tegen te gaan was bijvoorbeeld zo'n reden. Bovendien kwam het in het begin van de 20e eeuw ook nog voor dat Nederlandse militairen als adviseur (mede op verzoek van de Nederlandse regering) in dienst traden van andere legers. Tevens is vreemde krijgsdienst vrijwel onvermijdelijk als iemand meerdere nationaliteiten heeft en gehouden is zijn dienstplicht elders te vervullen. Te denken valt bijvoorbeeld aan Nederlands-Israëlische jongens en mannen die in het Israëlische leger meestreden als dienstplichtig militair en - meer recent en heel aktueel - Nederlandse jongeren die als dienstplichtig militair worden opgeroepen in het Marokkaanse of Turkse leger. Toen Nederland zelf nog dienstplicht kende[4] werden met een aantal NAVO landen afspraken gemaakt over het vervullen van de dienstplicht in slechts één der lidstaten.
De Rijkswet op het Nederlanderschap, uit 1984, bevat dan ook de toevoeging dat verlies van Nederlanderschap door vreemde krijgsdienst pas mogelijk werd indien er tevens handelingen tegen de Nederlandse staat plaatshadden.
Vrij recent zijn Nederlanders in Belgische krijgsdienst getreden en worden er binnenkort taken t.b.v. de luchtverkenning in het Caraïbisch gebied uitgevoerd door Canadezen. Dat zijn officieel kustwachttaken, maar e.e.a. vindt plaats onder supervisie van en in nauwe samenwerking met de Koninklijke Marine.
Zoals de meeste landen kent Nederland niet het verschijnsel verbanning.
Bronnen
|