| Naamvallen |
|---|
| Nominatief |
| Genitief |
| Datief |
| Accusatief |
| Vocatief |
| Ablatief |
| Locatief |
| Instrumentalis |
De nominatief (Latijn nominare = benoemen) of eerste naamval is de naamval die over het algemeen het onderwerp van een werkwoord aangeeft. Anders gezegd: de nominatief geeft aan wie de handeling verricht die met het werkwoord uitgedrukt wordt
Het Nederlands kent een aparte nominatiefvorm alleen nog wat betreft een aantal persoonlijke voornaamwoorden: ik, jij (gij), wij, zij. Deze staan namelijk tegenover de objectsvormen mij, jou (u), ons, hun/hen.
Ze worden gebruikt als onderwerp van de zin:
De objectsvormen worden gebruikt als lijdend of meewerkend voorwerp:
Een bijzonder geval treedt op wanneer het werkwoord overgankelijk is en in de lijdende vorm gezet wordt. In dat geval wordt het oude lijdend voorwerp het nieuwe onderwerp en komt daarmee in de nominatief te staan en aan wat het onderwerp was, wordt een voorzetsel door toegevoegd. Het wordt daarmee een voorzetselvoorwerp dat ook in de objectvorm komt te staan.
In veel Indo-Europese talen werd oorspronkelijk geen voorzetsel (door) gebruikt, maar werd deze functie in de zin door een eigen naamval weergegeven, de instrumentalis. In een aantal Slavische talen, zoals het Russisch, is dat nog steeds zo.
Er zijn ook talen waarin deze omzetting van nominatief naar instrumentalis niet plaats heeft, zoals het Baskisch. Men spreekt dan van een ergatief. Vermoed wordt dat ook het Indo-Europees voordat het latere stelsel naamvallen zich volledig had ontwikkeld, een ergatief-taal is geweest.
In Indo-Europese talen staat na een koppelwerkwoord ook het naamwoordelijk deel van het gezegde in de nominatief. Dat is in het Duits nog goed te zien.
Men vermoedt dat in het Proto-Indo-Europees de nominatief ontstaan is doordat aan de vocatief van het woord - zeg maar het losse woord buiten zinsverband - een uitgangs-s werd toegevoegd, meestal met een verbindingsklinker ertussen. In het Latijn is dat in sommige gevallen nog goed te zien:
In veel Indo-Europese talen is het verschil tussen vocatief en nominatief geleidelijk verdwenen en wordt nu voor beide dezelfde vorm gebruikt. Er zijn uitzonderingen: bijvoorbeeld het Tsjechisch en (bij woorden eindigend op -us) het Latijn.