De Noord-Germaanse of Scandinavische talen zijn het Deens, het Noors (Bokmål en Nynorsk), het Zweeds, het IJslands en het Faeröers.
De Noord-Germaanse talen zijn nauwer verwant met de Oost-Germaanse dan met de West-Germaanse. Het Noord-Germaans is bekend van runeninscripties vanaf de 3e eeuw na Chr. Er is een literaire taal vanaf de 9e eeuw.
De vasteland-Scandinavische talen (Deens, Noors en Zweeds) zijn tot op zekere hoogte onderling verstaanbaar.
Inhoud |
In Scandinavië zelf slaat de term Scandinavische talen alleen op het Deens, het Noors en het Zweeds. De gehele groep van Noord-Germaanse talen, dus met inbegrip van het Faeröers en het IJslands, wordt er Noordse talen genoemd.
De taalwetenschap gebruikt verschillende indelingen van de Noord-Germaanse talen in de verschillende taalperiodes.
Vóór het jaar 1100 was er één enkele Noord-Germaanse taal (dǫnsk tunga, Oudnoords), die echter enkele dialectverschillen had. Dus maakt men voor die periode een onderscheid tussen het Westnoords en het Oostnoords: [1]
Daarna groeiden het Deens en de andere talen uit elkaar zodat men van ongeveer 1100 tot ongeveer 1300 een andere indeling kan aannemen: [1]
In de late middeleeuwen ontwikkelden zich de Noord-Germaanse talen nogal verschillend: in het Faeröers en het IJslands bleven de oude taalstructuren goeddeels bewaard, terwijl ze in het Deens, het Noors en in het Zweeds sterk vereenvoudigd werden. Vanaf ongeveer 1500 kan men dus een derde indeling van de Noord-Germaanse talen aannemen: [1]
Deze indelingen zijn geen genetische stambomen in het kader van de stamboomtheorie. Ze beschrijven gelijkenissen tussen talen van een bepaalde periode. Wanneer deze talen sterk veranderen, worden de gelijkenissen tussen deze talen dan ook groter of kleiner zodat wellicht een nieuwe indeling tot stand komt.
Naast de 26 letters van het Nederlandse alfabet kennen de Scandinavische talen een aantal extra letters:
Zoals in het Nederlands staat de persoonsvorm van het werkwoord altijd op de tweede plaats in de zin. Vergelijk (voorbeelden in het Zweeds en Deens):
Het hoofdwerkwoord komt echter vóór het lijdend voorwerp:
Een belangrijke afwijking met de Nederlandse woordvolgorde is de plaats van het woordje niet (Het Zweedse inte/ej, Deense ikke/ej, Noorse ikke/ikkje etc.):
Kenmerkend voor de Noord-Germaanse talen is dat het bepaald lidwoord aan het zelfstandig naamwoord geplakt worden. Dit heet aangehecht lidwoord. Het IJslands heeft als enige van de vijf talen geen onbepaald lidwoord. Een voorbeeld:
| Nederlands | IJslands | Faeröers | Nynorsk | Bokmål | Deens | Zweeds |
| een jongen | strákur | ein drongur | ein gut | en gutt | en dreng | en pojke |
| de jongen | strákurinn | drongurin | guten | gutten | drengen | pojken |
| jongens | strákar | dreingir | gutar | gutter | drenge | pojkar |
| de jongens | strákarnir | dreingirnir | gutane | guttene | drengene | pojkarna |
Het IJslands en het Faeröers kennen bovendien vier naamvallen zoals het Duits. Het Deens, het Noors en het Zweeds kennen alleen de s-genitief zoals in het Nederlands, met het verschil dat de s-genitief in de Noord-Germaanse talen bij alle zelfstandige naamwoorden en in het Nederlands vrijwel alleen bij persoonsnamen wordt gebruikt.
De Noord-Germaanse talen kennen ook een voorzetsel "van" (Deens, IJslands: af; Faeröers, Noors, Zweeds: av), maar dat wordt in de regel niet gebruikt om een bezitsverhouding aan te duiden.
In met name het Noors bestaat de neiging om de s-genitief te vermijden en in plaats daarvan een omschrijving met het voorzetsel til of een constructie met het bezittelijk voornaamwoord sin te gebruiken, bijvoorbeeld:
De s-genitief wordt in alle Noord-Germaanse talen ook nog regelmatig gebruikt in vaste uitdrukkingen met het Deens/Noorse voorzetsel til en het Zweedse voorzetsel till dat in het Nederlands iets als naar, tot of ter betekent.
Betekenissen: Zij is slecht ter been. Welkom aan tafel. Wij gaan naar het bos.
De werkwoorden hebben tijden vergelijkbaar met die in het Nederlands, Duits en Engels (tegenwoordige tijd, verleden tijd, enzovoorts). In het Noors, Deens en Zweeds is er slechts één vorm voor alle personen (ik, jij, hij, wij, jullie). In het IJslands en het Faeröers is dit niet het geval. Vergelijk het IJslandse en Deense werkwoord "hebben".
IJslands:
Deens:
De lijdende vorm kan gemaakt worden op twee manieren, zoals in dit Zweedse en Deense voorbeeld:
De kip wordt geslacht:
De -s-vorm wordt als stijlvoller of formeler gezien.
De -s-vorm in de verleden tijd wordt in het Zweeds ook vaak gebruikt voor dingen waar wij in het Nederlands is ge- voor zouden gebruiken:
Werkwoorden kunnen uit twee delen bestaan, waarbij het tweede deel, het partikel een bijwoord of voorzetsel is dat het werkwoord een andere betekenis geeft. Het partikel kan bij werkwoordsvormen van plaats veranderen. Bijvoorbeeld:
| Nederlands | Zweeds | Bokmål | Nynorsk | Deens |
| aanzetten | sätta på | slå på | setje på | tænde for |
| aangezet | påsatt | slått på | påsat |
| Indo-Europese talen > Germaanse talen > | ||
| Noord-Germaanse talen: | West-Germaanse talen: | Oost-Germaanse talen: |
| Deens | Faeröers | IJslands | Noors | Norn* | Zweeds | Afrikaans | Duits | Engels | Fries | Jiddisch | Luxemburgs | Nederlands | Nedersaksisch | Scots | Bourgondisch* | Gotisch* | Vandaals* | Krimgotisch* |
| * = Uitgestorven taal | ||