De Oeraalse talen vormen een taalfamilie die bestaat uit ongeveer dertig talen, met samen ongeveer 20 miljoen sprekers. De verwantschap met de Altaïsche talen worden al jarenlang onderzocht en volgens sommige taalkundigen, zoals de Oostenrijkse taalkundige Dr. Phil. Hermann F. Kvergić, bewezen. Dit wordt nog eens versterkt door de sterke verstaanbaarheid van de onderlinge talen, zoals het Altaïsche Turks en het Oeraalse Fins[1].
De naam verwijst naar de locatie van de Urheimat van de taalgroep, waarvan de meeste taalkundigen aannemen dat deze in de buurt van de Oeral lag. De Urheimat is het gebied waar de sprekers van het Proto-Oeraals, de gemeenschappelijke voorouder van alle Oeraalse talen, moeten hebben gewoond.
De huidige Oeraalse talen worden gesproken in Estland, Finland en Hongarije en als minderheidstalen in Rusland, Noorwegen en Zweden en in alle buurlanden van Hongarije. De talen met de meeste sprekers zijn achtereenvolgens het Hongaars, het Fins en het Estisch.
Inhoud |
Hoewel de interne structuur van de Oeraalse talen al sinds deze familie werd voorgesteld ter discussie staat, worden de twee subfamilies, de Finoegrische talen en Samojeedse talen, algemeen erkend als van elkaar gescheiden. Hun gezamenlijke prototaal is het Proto-Oeraals.
Er is vaak geprobeerd om relaties tussen de Oeraalse talen en andere taalfamilies te vinden. Het minst controversiële voorstel is een verwantschap met het Joekagiers, een familie van twee talen die in Oost-Siberië worden gesproken. In de negentiende eeuw werd ook verwantschap met de Altaïsche talen aangenomen, maar deze wordt tegenwoordig doorgaans verworpen, zij het dat sommige onderzoekers beide families (waarvan de Altaïsche op zichzelf ook niet vrij van controverse is) in een breder kader plaatsen: dergelijke "superfamilies" zijn het Nostratisch en het "Proto-World". Al dan niet binnen het Nostratisch wordt ook verwantschap voorgesteld tussen het Oeraals en het Indo-Europees en tussen het Oeraals en het Eskimo-Aleoetisch.
De traditionele onderverdeling van de Oeraalse talen is als volgt:
Typische karakteristieken van de Oeraalse talen zijn
Niet alle Oeraalse talen vertonen al deze kenmerken: het negatieve werkwoord komt in de Oegrische tak niet voor en is in het Estisch onvervoegbaar geworden, de dualis beperkt zich tot het Samojeeds het Ob-Oegrisch en het Samisch). Het is ook niet zo dat al deze kenmerken in het Proto-Oeraals al (in dezelfde mate) voorhanden waren: het naamvalssysteem van het Proto-Oeraals was aanzienlijk beperkter dan in de meeste huidige dochtertalen en het voorkomen van een dualis in het Proto-Oeraals is omstreden.
Naast bovengenoemde en grotendeels overerfde overeenkomsten in hun grammaticale structuur komt ook de woordenschat van de Oeraalse talen voor een belangrijk deel overeen. Hoewel latere leenwoorden (vooral uit Slavische en Turkse talen) het aantal overerfde Oeraalse woorden in aantal hebben overvleugeld, zijn het vooral de basiswoorden die zich in de talen hebben kunnen handhaven. Hiertoe behoren onder meer de veel gebruikte woorden voor lichaamsdelen en natuurverschijnselen, persoonlijke voornaamwoorden, telwoorden en elementaire werkwoorden (eten, drinken, geven, brengen etc.).
Ook in hun morfologie hebben de Oeraalse talen gemeenschappelijke elementen bewaard: morfologie is beter dan de woordenschat bestand tegen vreemde invloeden. Zo hebben de moderne Oeraalse talen de Proto-Oeraalse naamvalsuitgangen, persoonsuitgangen en meervoudsuitgangen voor een groot deel bewaard.
| Nederlands | Fins | Ests | Võro | Noord-Samisch | Inari-Samisch | Erzja | Mari | Komi | Chanti | Hongaars | Nenets |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| hart | sydän, sydäm- | süda, südam- | süä, süäm- | čotta, čoddaga | - | śed'ej (ook in dialecten als śäd'ej en śed'eŋ) | šüm- | śələm | səm | szív | sēw |
| schoot | syli | süli | salla, sala | sollâ | sel' (ook in dialecten als säl') | šəl | syl | jöl | öl | - | |
| ader | suoni | soon | suuń, soonõ- | suotna, suona | suonâ | san | šön | sən | jan | ín 'zenuw, pees' | tēn |
| gaan | mennä, men- | minna, min- | minnäq, min- | mannat | moonnâđ | - | mija- | mun- | mən- | menni, megy | min- |
| vis | kala | kala | kala | guolli, guoli | kyeli | kal | kol | - | kul | hal | xal'ä |
| hand | käsi, käte- gen. käden, part. kättä |
käsi, kät- gen. käe, part. kätt |
käsi, kät- gen. käe, part. kätt |
giehta, gieđa | kietâ | ked' | kö | ki | köt | kéz | - |
| oog | silmä | silm, silma- | silm, silmä- | čalbmi, čalmmi | čalme, šalme | śel'me (ook in dialecten als śäl'me) | šinča | śin | sem | szem | sew |
| been | jalka | jalg | jalg | juolgi, juolggi | jyel'gi | jalgo 'te voet' | jol | gyalog 'te voet' | |||
| been | láb | laamp(a) (Selkups) | |||||||||
| vader | isä | isa | esä | áhčči, áhči | eeči | ős 'voorouder' | niiśe | ||||
| vuur | tuli | tuli, tule- | tuli, tulõ- | dolla | tullâ | tol | tul | ti̮l | tűz | tuu | |
| tand | (pii) | (pii) | bátni * | pääni * | pej (ook in dialecten als peŋ en päj) | püj | piń | pöŋk, peŋk | fog |
* Heeft mogelijk niet dezelfde etymologische voorsprong.
De oorspronkelijke versie van dit artikel was een vertaling uit de Engelstalige Wikipedia