Omzetbelasting of btw (belasting over de toegevoegde waarde; TVA (Frans), MwSt (Duits), VAT (Engels)) is een belasting die een overheid heft op de verkoop van producten of diensten. Omzetbelasting wordt toegepast in 136 landen, waaronder de meeste Europese landen. In Nederland bestaat de btw vanwege de Europese wetgever sinds 1 januari 1969, in België sinds 1 januari 1971. Daarvoor kende men omzetbelasting in een cumulatief cascadestelsel.
Inhoud |
De producenten en leveranciers verhogen de prijs van een product of dienst met het bedrag van de btw. Achteraf moeten zij dit btw-bedrag aan de staat voldoen. Het lijkt alsof de ondernemer de omzetbelasting betaalt, maar in werkelijkheid wordt de btw doorberekend aan de consument (ook wel eindverbruiker genoemd). Een omzetbelasting werkt proportioneel als er maar één tarief is, doordat iedereen dan hetzelfde percentage over al zijn aankopen betaalt.
Op luxeproducten, die niet echt nodig zijn om te leven, wordt in Nederland een hoog tarief van 19% en in België 21% btw geheven (bijvoorbeeld op cd's, of op sieraden). Ook voor diensten geldt meestal het hoge tarief. Voor onder andere levensmiddelen geldt een laag tarief van 6% btw. Dit leidt tot soms merkwaardige situaties: konijnenvoer is onderhevig aan het lage tarief voor de voedselketen, terwijl caviavoer valt onder het hoge tarief (omdat cavia's niet gegeten worden).
Voor sommige producten en diensten geldt een (gedeeltelijke of gehele) vrijstelling. Over het leveren van bepaalde goederen en diensten wordt geen omzetbelasting geheven, zoals in Nederland medicijnen op doktersrecept door een apotheek, het geven van onderwijs, het verlenen van medische hulp en de meeste diensten die een bank verleent. Deze leveranties en diensten zijn vrijgesteld.
Tot slot bestaat nog een nultarief. Het nultarief en de vrijstelling zijn niet hetzelfde. Bij prestaties die belastbaar zijn tegen het nultarief heeft de ondernemer recht op aftrek van de in rekening gebrachte voorbelasting. Een vrijgestelde ondernemer mag deze aftrek niet doen. In plaats van het nultarief is het beter te spreken over de vrijstelling met recht op vooraftrek.
De belastingplichtige ondernemer kan de betaalde btw terugkrijgen van de fiscus. Meestal gebeurt dit door de ingehouden btw te verrekenen met btw die de ondernemer aan de fiscus moet afdragen. Als de terug te ontvangen btw groter uitvalt dan de af te dragen btw, keert de fiscus het verschil uit. Dit komt onder andere voor bij exporteurs, die binnen het land inkopen en daarbij btw betalen. Over de verkoop geldt bij export vaak een 0%-tarief (o.a. in Nederland en België) en dus krijgt de exporteur de betaalde btw terug van de fiscus.
Als een onderneming zowel belaste als vrijgestelde prestaties levert, wordt de voorbelasting naar rato van de omzet verrekend. Wanneer een ondernemer bijvoorbeeld per jaar € 100.000 ontvangt voor gegeven onderwijs (vrijgesteld) en € 200.000 voor bedrijfsadviezen (belast), kan hij de betaalde voorbelasting voor 2/3 deel verrekenen, omdat hij ook over 2/3 deel van zijn totale omzet btw heeft afgedragen.
Een ondernemer moet meestal elk kwartaal zelf aangifte doen en het btw bedrag overdragen. Als daarbij een fout wordt gemaakt, kan een suppletieaangifte worden ingediend.
In België zijn er bijna 700.000 btw-plichtigen. De tarieven zijn 6%, 12% en 21%. De opbrengst van de btw wordt geïnd door de Federale Overheidsdienst Financiën en vervolgens verdeeld over de Europese Unie, de federale staat, de gemeenschappen en de sociale zekerheid. Dit gebeurt volgens een vastgelegde verdeelsleutel, de zogenaamde affectatie.
Volgens het CBS voor 2007: "Sinds 1997 brengt de btw meer op dan de loonbelasting. Hiermee is de btw de belangrijkste belasting voor het rijk." En: "De btw is in 2007 goed voor bijna 32 procent van de totale belastinginkomsten van het rijk. De opbrengst van deze indirecte belasting is daarmee groter dan de loonbelasting (29 procent), de vennootschapbelasting (14 procent) en de accijnzen (8 procent). Tot 1997 vormde de loonbelasting de belangrijkste bron van belastinginkomsten van de overheid." [1]
Bij deze vorm van omzetbelasting wordt alleen belasting geheven op aankopen door een klant - tenzij de klant een bedrijf is. Deze vorm is gevoelig voor fraude en wordt daarom in Europa niet meer toegepast. Fraude is mogelijk doordat de klant kan proberen om een goed namens een bedrijf te kopen. De nadelen:
Bij deze vorm wordt er bij iedere transactie in het productieproces belasting geheven. Bij dit stelsel drukt er vaak een hoog percentage (cumulerende) belasting. Een cascadestelsel heeft twee nadelen:
Bij btw moet de ondernemer die een goed levert of een dienst verricht omzetbelasting in rekening brengen aan de afnemer. Vervolgens moet de ondernemer deze omzetbelasting afdragen aan de fiscus. De afnemer kan de betaalde btw als voorbelasting terugkrijgen van de fiscus als hij kan aantonen dat hij een belastingplichtig ondernemer is en dat hij het geleverde goed/dienst gebruikt binnen zijn onderneming.
Een bepaalde bedrijfskolom verloopt als volgt:
Gegeven is een belastingpercentage van 10%. De belastingberekening verloopt als volgt:
| Verkoop door | Goed | Inkoopprijs | (Arbeids)kosten + winst | Kostprijs | Belasting | Verkoopprijs |
|---|---|---|---|---|---|---|
| houthakker | boomstam | 0,00 | 80,00 | 80,00 | 8,00 | 88,00 |
| houtzager | planken | 88,00 | 100,00 | 188,00 | 18,80 | 206,80 |
| schrijnwerker | kast | 206,80 | 120,00 | 326,80 | 32,68 | 359,48 |
| winkelier | kast | 359,48 | 125,00 | 484,48 | 48,45 | 532,93 |
| Totaal | 107,93 |
De klant betaalt uiteindelijk 532,93 voor een kast met een kostprijs exclusief belasting van 425 (532,93 minus 107,93) zodat effectief een percentage wordt geheven van ruim 25%. Er geldt, hoe langer de bedrijfskolom hoe groter het effectieve belastingpercentage. Dit is dus een nadeel.
Zelfde gegevens maar nu een belastingpercentage van 20%. De belastingberekening verloopt als volgt:
| Verkoop door | Goed | Inkoopprijs (excl. btw) | (Arbeids)kosten + winst | Verkoopprijs (excl. btw) | Belasting | Aftrek voorbelasting | Verkoopprijs (incl. btw) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| houthakker | boomstam | 0,00 | 80,00 | 80,00 | 16,00 | 0,00 | 96,00 |
| houtzager | planken | 80,00 | 100,00 | 180,00 | 36,00 | 16,00 | 216,00 |
| schrijnwerker | kast | 180,00 | 120,00 | 300,00 | 60,00 | 36,00 | 360,00 |
| winkelier | kast | 300,00 | 125,00 | 425,00 | 85,00 | 60,00 | 510,00 |
| Totaal | 197,00 | 112,00 |
Wat direct opvalt is dat ondanks een belasting van 10 procentpunten meer dan bij het cascadestelsel, er toch een lagere verkoopprijs ontstaat. De totale belasting bedraagt 197 en de vooraftrek van voorbelasting bedraagt totaal 112. Het verschil is de belastingopbrengst en deze bedraagt derhalve 85. Ter controle: 20% van de kostprijs (verkoopprijs exclusief btw) ad 425 bedraagt inderdaad 85.
Btw wordt geheven op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 waarbij sedert 1 januari 1969 de belasting op grond van het bovengenoemde btw-stelsel wordt vastgesteld. De Lid-Staten van de EU dienen in hun nationale wetgevingen rekening te houden met de ter zake gegeven richtlijnen. De introductie van het btw-stelsel per 1 januari 1969 is gebaseerd op de Eerste en Tweede btw-richtlijn en is later verder geharmoniseerd. Met name de Zesde btw-richtlijn, die per 1 januari 2007 is vervangen door de btw-richtlijn (Richtlijn 2006/112/EG) die in Nederland met ingang van 1 januari 1979 heeft geleid tot belangrijke aanpassingen van de Wet, neemt een belangrijke positie in. De bepalingen van de btw-richtlijn dienen door de Lid-Staten in de nationale wetgevingen te worden vertaald waarbij op elementen afwijkingen aanvaardbaar zijn, mits het resultaat gelijk is.
In situaties waarbij de nationale wetgeving niet in overeenstemming is met de Europese regelgeving, kunnen belastingplichtigen met een rechtstreeks beroep op de richtlijn een voor hen (gunstiger) behandeling afdwingen bij de rechter. De nationale Belastingdiensten kunnen dat niet.
Dit uitgangspunt leidt dan ook tot vele procedures, denk daarbij maar aan de bouwkavelproblematiek. De positie van de richtlijnen ten opzichte van de nationale wetgeving speelt dan ook een belangrijke rol bij de beoordeling van fiscaal-technische aangelegenheden. Indien een bepaling uit de richtlijn onduidelijkheden bevat of mogelijk belangrijke verschillen ten opzichte van de nationale wetgeving veronderstelt, kan de nationale rechter worden verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg.
De uitspraken van dit Hof, op basis waarvan inzicht wordt verkregen in de richtlijnen, zijn vervolgens bepalend voor de rechtspraak in de Lid-Staten. Het belang van deze uitleg is de laatste tientallen jaren de aanleiding geweest om de heffing van btw primair vanuit deze richtlijnen te benaderen. Op 21 februari 2006 heeft het Hof in het Halifax-arrest een belangrijke uitspraak gedaan over de reikwijdte van het begrip "misbruik van recht" in de omzetbelasting.
| Positie | Land | Percentage |
|---|---|---|
| 1 | 15% | |
| 2 | 15% | |
| 3 | 16% | |
| 4 | 17,5% | |
| 5 | 18% | |
| 6 | 18% | |
| 7 | 18% | |
| 8 | 18% | |
| 9 | 19% | |
| 10 | 19% | |
| 11 | 19% | |
| 12 | 19% | |
| 13 | 19% | |
| 14 | 19% | |
| 15 | 19,6% | |
| 16 | 20% | |
| 17 | 20% | |
| 18 | 20% | |
| 19 | 20% | |
| 20 | 20% | |
| 21 | 21% | |
| 22 | 21% | |
| 23 | 21% | |
| 24 | 22% | |
| 25 | 22% | |
| 26 | 25% | |
| 27 | 25% |
Klassiek Athene, Griekenland het land van de handel en de scheepvaart, lijkt de uitvinder van de omzetbelasting te zijn. Het helleense Egypte neemt deze belastingvorm over. Keizer Augustus in het Romeinse Rijk herintroduceert haar om zijn veteranen te kunnen betalen. De hele Middeleeuwen door ontbreekt ze niet in de grote Europese staten.
De Castiliaanse Alkabala, waaraan, volgens Adam Smith, Spanje haar economische welvaart ontleende, trekt als succesvol idee over de Pyreneeën naar Frankrijk. De Italiaanse vorsten en steden blijven niet achter en kopiëren deze belasting. In de nieuwere tijd lijkt ze verdwenen. maar in Engeland verschijnt ze als een bundel accijnzen, om een oplossing te zijn voor de geldnood die er tijdens de napoleontische oorlogen was. De VS redden zichzelf door omzetbelasting in te voeren tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog.
De Eerste Wereldoorlog zorgt voor een wedergeboorte van de omzetbelasting. Eerst Duitsland in 1916, in het midden van de Eerste Wereldoorlog, om de stijgende oorlogsuitgaven te dekken, Frankrijk in 1920 en België in 1921, om de desastreuze gevolgen van de oorlog op te vangen, Engeland kwam in 1940 met een uitgebreid systeem van accijnzen, dat men in zijn totaliteit als een omzetbelasting kan beschouwen, vanwege het probleem: How to pay the war?
Nederland voerde de omzetbelasting pas in 1934 in, niet in verband met de oorlog, maar midden in de crisistijd. Het was hier de bedoeling om met de opbrengst de gevolgen van de crisis tegen te gaan. Er werd toen door de regering gesteld dat dit een tijdelijke belasting zou zijn. Nochtans is zij nimmer afgeschaft, integendeel, haar succes was zo groot dat haar plaats in het belastingstelsel steeds belangrijker is geworden.
De Europese Gemeenschap zocht naar een eenvormig belastingstelsel voor alle lidstaten en nam het idee van de Fransman Maurice Lauré Directeur adjoint du Direction Générale des Impôts over om tot een Taxe sur la valeur ajouté = TVA over te gaan. Ze is nu niet meer weg te denken uit ons (Europese) systeem.
| Ingangsdatum | Percentage |
|---|---|
| 01-01-1969 | 4% / 12% |
| 01-01-1971 | 4% / 14% |
| 01-01-1973 | 4% / 16% |
| 01-10-1976 | 4% / 18% |
| 01-01-1984 | 5% / 19% |
| 01-10-1986 | 6% / 20% |
| 01-01-1989 | 6% / 18,5% |
| 01-10-1992 | 6% / 17,5% |
| 01-01-2001 | 6% / 19% |
Het verschil tussen de te betalen/ privé-gebruik en de te vorderen omzetbelasting.
Als je een afnemer een rekening hebt gestuurd en deze betaalt niet, bijvoorbeeld wegens faillissement, dan kun je de btw terug vragen die je over die omzet hebt afgedragen. Je moet bij de Belastingdienst aannemelijk maken dat het bedrag echt oninbaar is. Vaak lukt dat als je een kopie van een brief van de curator van je failliete klant meestuurt. De Belastingdienst betaalt die btw apart terug; je mag deze btw niet zomaar op je aangifte aftrekken. Als je van je failliete klant bijvoorbeeld 10% van het factuurbedrag hebt ontvangen, en de rest niet, dan is 90% oninbaar. De Belastingdienst betaalt dan 90% van de btw op factuur terug.
Rekening die je in de boekhouding gebruikt als je op bepaalde kosten, een deel moet corrigeren omdat die voor een deel privé zijn. Deze vorm van omzetbelasting betaalt de zaak later, al dan niet geheel, aan de Belastingdienst. Het is gebruikelijk dat dit bedrag ineens op de laatste btw-aangifte van het jaar wordt afgedragen.
Voorbeelden hiervan zijn:
Rekening die je in de boekhouding gebruikt voor de omzetbelasting die je aan klanten (debiteuren) in rekening hebt gebracht, of als je bijvoorbeeld een winkel of café hebt, van klanten contant hebt ontvangen. Deze omzetbelasting draag je later af aan de Belastingdienst, al dan niet geheel.
Als je, bijvoorbeeld wanneer je caféhouder bent, zowel omzet hebt gemaakt die onder het hoge tarief valt (zoals in Nederland omzet bier en sterke drank), als ook omzet hebt gemaakt die onder het lage tarief valt (zoals omzet koffie, thee, limonade en hapjes), dan moet je die twee omzetgroepen en ook de btw daarover, in je boekhouding op verschillende rekeningnummers boeken.
In het rekeningstelsel geven we deze post vaak weer met code 181.
Ook wel genaamd: Te verrekenen btw, of: btw voorbelasting. Rekening die je in de boekhouding gebruikt voor de omzetbelasting, dit is btw die je aan leveranciers (crediteuren) betaalt. Deze omzetbelasting krijg je later, al dan niet geheel, terug van de Belastingdienst. In bepaalde gevallen mag je (in Nederland) een deel van de voorbelasting niet aftrekken, bijvoorbeeld als de kantinekosten en kosten voor personeelsfeestjes, kerstpakketten e.d. per personeelslid (je telt als eigenaar hierbij zelf ook mee) boven een bepaald bedrag uitkomen. Dit is het zogenaamde BUA (Besluit Uitsluiting Aftrek).
In de boekhouding heeft deze rekening vaak het nummer 180.
| Bronnen, noten en/of referenties: |
|