Het onderwerp (ook subject genoemd) is in de grammatica het zinsdeel dat bepaalt hoe de persoonsvorm er uitziet. Meestal (maar niet altijd!) verwijst het onderwerp naar iets of iemand dat/die een handeling uitvoert.
Voorbeelden:
Zoals je ziet verandert gaat in gaan als Piet door Piet en Jan vervangen wordt. Piet en Piet en Jan zijn dus de respectievelijke onderwerpen van de eerste twee zinnen. Soortgelijke opmerkingen gelden ook voor de laatste twee zinnen.
Nota bene:
Het onderwerp van een zin kan zélf een zinsdeel met een eigen persoonsvorm (finiet werkwoord) zijn:
In het Nederlands staat het onderwerp in mededelende zinnen meestal voor de persoonsvorm: De voetballers betraden de kleedkamer.
Het kan gebeuren, bijvoorbeeld in sommige vragende zinnen, dat de persoonsvorm voor het onderwerp staat.
In zogenaamde flecterende talen, dat wil zeggen talen met naamvallen, staat het onderwerp gewoonlijk in de eerste naamval of nominativus. Bekende voorbeelden van flecterende talen zijn: Duits, Oudgrieks, Latijn.
Een loos onderwerp is een onderwerp dat geen betekenis heeft, maar enkel voorkomt voor de vorm. In het Nederlands komt dit neer op het gebruik van het als onderwerp in verband met een natuurgebeuren of een onbekende oorzaak of wanneer men het onderwerp niet wil aangeven.
Een voorlopig onderwerp staat in het begin van de zin en verwijst naar het eigenlijk onderwerp aan het eind van de zin of in de bijzin.
Een herhalend onderwerp, meestal een voornaamwoord, herhaalt het eigenlijk onderwerp.
Er als tweede onderwerp aan het begin van de zin of direct na de persoonsvorm - dus waar gewoonlijk het onderwerp staat.