Het Oostfront was tijdens de Tweede Wereldoorlog de naam voor het toneel van oorlogshandelingen in Centraal- en Oost-Europa, vanaf 22 juni 1941 tot 9 mei 1945. Het Oostfront is berucht vanwege de vele levens die het geëist heeft en de onmenselijke manier van oorlog voeren. Gebeurtenissen die zich aan het Oostfront afspeelden waren onder andere Operatie Barbarossa en de Vervolgoorlog (tussen Finland en de Sovjet-Unie). Het wordt beschouwd als het beslissende theater in de gehele Tweede Wereldoorlog.
Inhoud |
Op 23 augustus 1939 sloten Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie het Molotov-Ribbentroppact, een niet-aanvalsverdrag. In de geheime protocollen van het verdrag werd Oost-Europa in een Duitse en een Sovjet invloedssfeer verdeeld. Dit verdrag gaf Hitler de vrije hand om anderhalve week later, op 1 september 1939, Polen binnen te vallen. De Sovjet-Unie viel op 17 september het oosten van Polen binnen. De Duitse Wehrmacht en het Rode Leger trokken op tot de Curzon-linie, de demarcatielijn die in het Molotov-Ribbentroppact was overeengekomen. Hitler had gehoopt dat de Entente (het bondgenootschap tussen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk) na de val van Polen snel vrede zou sluiten. Toen dat niet gebeurde, stelde het niet-aanvalsverdrag Duitsland in staat zijn pijlen te richten op een aanvalsoorlog in het westen, de Slag om Frankrijk tegen Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk; de Sovjet-Unie op zijn beurt voerde oorlog met Finland en bezette Estland, Letland en Litouwen in juni 1940.
De betrekkingen tussen beide landen werden echter steeds meer gespannen, mede doordat Hitler de Balkan voor Stalin afsloot door Hongarije, Roemenië en Bulgarije toe te laten treden tot de Asmogendheden. Nu de Entente was weggevallen waren Duitsland en de Sovjet-Unie natuurlijke rivalen geworden in de strijd om de hegemonie in Europa. Al in de zomer van 1940 besloot Hitler de Sovjet-Unie te veroveren, ondanks het feit dat de Wehrmacht zijn legeropbouw nog lang niet had voltooid en de Duitse wapenindustrie een grote achterstand had op die van de Sovjet-Unie. Hij meende dat de (tot zijn eigen verrassing) in mei 1940 zeer succesvol gebleken tactiek van de Blitzkrieg een overwinning in het Oosten garandeerde. Met een campagne in het Oosten hoopte hij niet alleen een gevaarlijke concurrent uit de weg te ruimen maar ook het Britse Gemenebest tot een vergelijk te dwingen en een welhaast onuitputtelijke bron van olie, grondstoffen, graan en arbeidskracht te verwerven, waardoor zijn rijk geostrategisch onkwetsbaar zou worden. Duitslands agressieve plannen leidden al snel tot diplomatieke spanningen, onder een volgehouden façade van vriendschap.
Molotov, de Sovjet-minister van Buitenlandse zaken, wilde weten waarom Duitsland zo'n interesse had in Turkije en de Balkan. Von Ribbentrop, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, was bezorgd om de Duitse politiek en uitte zijn bezwaren tegen Hitler; niemand had ooit zo'n toon aan durven slaan tegen de Führer. Met uitzondering van Heinz Guderian ondersteunden de meeste Duitse generaals echter Hitler in zijn optimistische inschatting van de Duitse mogelijkheden.
De Duitse legeropbouw in Polen kon niet geheim blijven en al in de herfst van 1940 begon men zich in de Sovjet-Unie af te vragen hoe een adequaat antwoord gevonden zou kunnen worden op de Duitse dreiging. Aan de ene kant kon men haast niet geloven dat Hitler het zou wagen aan te vallen, zo groot was de voorsprong van het Rode Leger in getrainde mankracht, artillerie en tanks. Aan de andere kant kampte men met een oud minderwaardigheidscomplex ten opzichte van de zo bewonderde Duitse militaire professionaliteit. De snelle val van Frankrijk baarde grote zorgen en men zag terecht het potentieel van de daar getoonde nieuwe tactieken als diepere oorzaak van Hitlers zelfvertrouwen. De Sovjet-Unie had dat soort tactieken zelf al rond 1936 als doctrine gehad maar was daar later vanaf gestapt.
Na verhitte discussies bereikte men in december 1940 een nieuwe consensus en werd als partijlijn op straffe des doods dwingend opgelegd de Duitse methode van de Blitzkrieg te gaan navolgen in plaats van het alternatief: de verdediging in de diepte. Men bouwde aldus direct aan de westgrens een grote strijdmacht op die in een mobiele oorlogvoering de Duitse aanval moest opvangen — of misschien zelfs voorkomen als men zou besluiten tot een preventieve aanval. Of Stalin tot dat laatste ooit het bevel heeft gegeven blijft zeer omstreden en de waarheid hierover kan niet worden aangetoond totdat de nu nog geheime archieven worden ontsloten. De meeste historici gaan er tegenwoordig vanuit dat Stalin dat bevel steeds uitstelde in de hoop dat Hitler uiteindelijk toch van het offensief zou afzien. Op 22 juni 1941 was het hoe dan ook te laat.
Nadat, als gevolg van Operatie Marita, in het voorjaar van 1941 Joegoslavië en Griekenland waren bezet en opgedeeld onder de Asmogendheden, richtte de gehele oorlogsmachine van de As zich op de Sovjet-Unie. Meer dan drie miljoen Duitse manschappen, ingedeeld in 150 divisies met in totaal 3300 tanks en 2700 vliegtuigen, wierpen zich in de strijd. De Duitse legers waren verdeeld over drie legergroepen: Legergroep Noord, Midden en Zuid. Die moesten het opnemen tegen de 2,8 miljoen Sovjetsoldaten van de grenslegers, ondersteund door 15.000 tanks en 8000 vliegtuigen.
De strijd aan het Oostfront begon toen Adolf Hitler op 22 juni 1941 het niet-aanvalsverdrag met Stalin schond en de Sovjet-Unie binnenviel, samen met de Finse, Roemeense, Hongaarse en Slowaakse legers. Dit offensief had als codenaam "Operatie Barbarossa". Het doel van de Duitsers was om vóór de inval van de modderperiode, midden oktober, alle gebieden ten westen van de Wolga te bezetten. Operatie Barbarossa was in de eerste weken een groot succes voor de Duitsers. De beslissing van de Sovjetlegertop om de nieuwe Duitse tactieken te gaan imiteren bleek een rampzalige vergissing. Tijdens de Grote Zuivering in de jaren ervoor was een belangrijk deel van het officierenkorps uitgemoord; de leiderschapskwaliteiten waren hierdoor gedaald en men had verleerd zelf het initiatief te nemen, terwijl juist een snelle flexibele bevelvoering tegen de Duitsers een absolute noodzaak was. Het Rode Leger bleek niet in staat met succes een moderne bewegingsoorlog te voeren. De pantserreserves van de Sovjet-Unie werden uiteengeslagen, haar infanterielegers omsingeld en vernietigd. Binnen een maand hadden de Duitsers de Baltische Staten bezet en waren opgerukt tot de lijn Smolensk - Kiev.
Het hele Duitse offensief was gebaseerd op de vooronderstelling dat de opmars hierna alleen maar sneller zou verlopen doordat de vijandelijke weerstand ineen zou storten. Zoals Hitler het zelf uitdrukte: "We hoeven alleen maar de deur in te trappen en heel het verrotte bouwwerk stort in elkaar". Nu bleek dat dit een veel te optimistische inschatting was geweest. De Sovjetgrenslegers vormden maar de helft van de primaire mobilisatiecapaciteit. Eind juli formeerden zich weer enorme sovjetlegers: aan het noorden bij de rivier de Loega; in het midden bij Smolensk en het in het zuiden bij Kiev. Dit enkele feit betekende al dat de hele Duitse campagne in wezen mislukt was, want om deze nieuwe legers te verslaan moest eerst herbevoorraad worden en dat schopte het tijdschema van de opmars in de war. Het was onmogelijk geworden de Sovjet-Unie in 1941 een beslissende nederlaag toe te brengen.
En dat betekende weer dat voor Duitsland zelfs de totale nederlaag dreigde als men er niet in zou slagen genoegen te nemen met het al veroverde 'Lebensraum' en vrede te sluiten. Men verkeerde echter in zo'n overwinningsroes dat een objectieve inschatting van de situatie onmogelijk bleek.
Hitler wees een vredesaanbod van Stalin van de hand en besloot tot het uiterste te gaan om zoveel mogelijk doelwitten te bezetten, iets waarin hij door de Duitse generale staf ondersteund werd. Met de laatste voorraden versloeg Legergroep Midden na hevige tegenaanvallen rond de stad Smolensk een gedeelte van de nieuwe legers. Daarna werd de maand augustus grotendeels besteed aan het aanvullen van voorraden, een proces dat ten zeerste werd bemoeilijkt door de afwijkende spoorwijdte van het Sovjetspoornet en de door Stalin bevolen tactiek van de verschroeide aarde, waarbij alles wat de vijand van nut kon zijn, moest worden meegenomen of vernietigd. Het lukte een groot deel van de machines van de vitale wapenindustrie uit Leningrad en Charkov te evacueren naar nieuwe industriegebieden ten oosten van de Oeral.
Door de logistieke tekorten was het voor de Duitsers onmogelijk geworden om opnieuw over het gehele front in het offensief te gaan: juni 1941 was de laatste keer dat dit Duitsland in de oorlog zou gelukken. De aanval viel uiteen in deeloperaties. Tegen de verwachting in lukte het Legergroep Noord om op eigen kracht de vijandelijke stellingen in de Loegamoerassen te doorbreken. Op 8 september 1941 begonnen de Duitsers het beleg van Leningrad, het hedendaagse Sint-Petersburg. Na veel verhitte discussies werd besloten Legergroep Midden en Zuid te laten samenwerken om de grote concentratie van Sovjettroepen bij Kiev te omsingelen. Eind september maakte Duitsland hiermee ruim een half miljoen krijgsgevangenen. Daarna werd begin oktober Operatie Typhoon begonnen, de aanval op Moskou. Opnieuw werden honderdduizenden soldaten van het Rode leger gevangen genomen, doordat men zich nog te lineair verdedigde in plaats van in de diepte. Voor een Duitse eindoverwinning was het nu echter te laat: het zomerseizoen was voorbij. Midden oktober daalden de temperaturen. De onverharde wegen van Rusland veranderen door de herfstregens in onbegaanbare modderbanen.
Vrijwel onmiddellijk liep de opmars vast door gebrek aan bevoorrading. Eind november werd de conditie van het wegennet weer wat beter door de eerste vorst. De generaals ter velde wilden nu zo sterk mogelijke verdedigingsposities innemen en zoveel mogelijk de voorraden brandstof en munitie op peil brengen. Het opperbevel besloot echter tot een allerlaatste krachtsinspanning om althans Moskou te veroveren om zo het vijandelijke spoornet te ontregelen.
Begin december was men, vrijwel uitgeput, tot op enkele kilometers van Moskou geraakt. Hier begon echter de serieuze tegenstand. Zoals Napoleon voor hem, kreeg Hitler te maken met de veerkracht, de vaderlandsliefde van de Russen en de terreur van Stalin jegens de eigen bevolking die de Russen tot het uiterste dreef. Bovendien kreeg Hitler te maken met een onverwachte vijand: de Russische winter, die dat jaar ongemeen streng was. Hij had verwacht dat de Sovjet-Unie zou capituleren voordat de winter aanbrak. Door de slechte algemene bevoorradingssituatie hadden alleen de hoognodige goederen naar het front vervoerd kunnen worden. Winterkleding viel hier niet onder en was überhaupt niet in voldoende aantallen aanwezig: men had die alleen geproduceerd voor het beperkte aantal bezettingsdivisies die men na 1941 dacht nodig te hebben. De soldaten konden enkel door plundering aan extra kledingstukken komen. Er was hierdoor een zeer groot aantal bevriezingsslachtoffers; ook viel veel materieel uit.
De Russen lanceerden op 5 december een offensief met twee verse Siberische legers ten noorden en zuiden van Moskou en dreven Legergroep Midden op sommige punten meer dan honderd kilometer terug. Slechts met uiterste inspanning wisten de Duitsers de opmars van het Rode Leger in te dammen. In het noorden vonden de Russen genoeg kracht om enkele aanvallen uit te voeren waarbij de strategisch belangrijke stad Tachalin heroverd werd, zodat over het bevroren Ladogameer veel proviand vervoerd kon worden naar het belegerde Leningrad. In het zuiden werd de stad Rostov, de poort naar de olievelden van de Kaukasus, na hevige gevechten door de Wehrmacht opgegeven. Belangrijker dan het verloren terrein was het feit dat de mankracht van het Duitse leger voor het eerst in de oorlog flink werd aangetast. De frontsterkte viel terug van 3,2 naar 2,4 miljoen man. De hele winter door waren er gevechten zodat herstel moeilijk was. De opleidings- en productiecapaciteit was ook niet ingericht op het volhouden van een langdurig conflict en tot overmaat van ramp verklaarde Hitler in December de Verenigde Staten van Amerika de oorlog.
Behalve direct aan het front ontplooiden de Duitsers ook daarachter activiteiten. De oorspronkelijke opzet was gericht geweest op economische onderwerping, met als gevolg een uithongeren van de stedelijke bevolking doordat het voedselsurplus naar Duitsland gevoerd zou worden — het informele Hungerplan — en het onmiddellijk uitroeien van alle ongewenste elementen zoals joden en communisten. Hiervoor werden onder andere SS-Einsatzgruppen ingezet maar ook vaak normale Wehrmachteenheden. Aan de Jodenvervolging nam de plaatselijke bevolking vaak met groot enthousiasme deel. Dat enthousiasme was er onder de Baltische volkeren en de Oekraïners ook voor de inval als geheel: men was blij van Stalin verlost te zijn en verwelkomde de Duitsers als bevrijders. Hitler verbood echter hierop in te gaan. Weldra bekoelden de verhoudingen; na 1941 was er een sterk toenemende activiteit van partizanen, vooral in de bossen van Wit-Rusland; hele gewesten waren daar in feite niet onder Duitse controle: de "partizanenrepublieken".
De Duitsers hadden simpelweg niet de mankracht om de uitgestrekte gebieden te zuiveren. Het veroverde gebied leverde nauwelijks genoeg voedselsurplus op om het Duitse leger te voeden en ook overigens kostte het meer dan het opbracht. Met grote investeringen lukte het om de essentiële nikkelmijnen aan de gang te houden. Het aantal slachtoffers aan Sovjetzijde was meteen heel groot; niet alleen door de oorlogshandelingen en de wreedheden tegen de burgerbevolking maar vooral doordat men niet in staat bleek de vele krijgsgevangenen te voeden, waardoor honderdduizenden van hen verhongerden. De drie miljoen mensen die zo tijdens de oorlog in het bezette gebied zouden sterven, werden echter in aantal weer overtroffen door de burgerslachtoffers die in het onbezette gebied door deportatie, tewerkstelling, ziekte en hongersnood zouden omkomen: zo'n twaalf miljoen.
Na de winter van 1942 verkeerde het Duitse leger in een zeer slechte toestand. De munitievoorraden waren laag en de meeste divisies zwaar onder sterkte. Van een hervatting van het offensief over de volle breedte van het front kon geen sprake zijn. De veldtocht tegen de Sovjet-Unie zou alsnog tot een goed einde gebracht kunnen worden door een offensief direct in de richting van Moskou om zo het Russische "hartland" te bezetten. Het Sovjetopperbevel, het Stavka, dacht dat de Duitsers — waarvan men de sterkte flink overschatte — dat ook van plan waren en concentreerde daar de meeste troepen. Hierdoor werd het erg twijfelachtig of zo'n offensief zou gelukken. Er was echter ook een alternatief dat veel minder risico's leek op te leveren. Ten noorden van de Kaukasus liggen uitgestrekte landbouwgebieden en de streek was zelf de belangrijkste bron van aardolie.
Omdat de zuidelijke sector van het front slecht door het Rode Leger bezet was kon een geconcentreerd offensief, aangeduid met de codenaam Fall Blau en uit te voeren door het zestigtal divisies dat men wel op sterkte kon brengen, daar eenvoudig doorbreken waarna deze gebieden door een snelle opmars door pantsertroepen konden worden bezet. Een nadeel was dat daardoor de frontlijn enorm zou worden verlengd. Om dit te ondervangen dwongen de Duitsers Roemenië, Hongarije en Italië om hele legers in te zetten teneinde de flanken van de Duitse opmars te dekken. Door het verlies van olie en graan zou de Sovjet-Unie misschien indirect op de knieën gedwongen worden — en in ieder geval waren het zaken die Duitsland zelf erg hard nodig had om een grote oorlogseconomie op te bouwen zodat het een wereldmacht kon worden die het defensief tegen de Sovjets en Amerika zou kunnen bolwerken.
In mei speelden de Sovjets de Duitsers in de kaart door hun pantserreserves in het zuiden in te zetten bij een groot offensief om Charkow te heroveren. Na een aanvankelijke doorbraak mislukte dat en de Duitsers konden in juli eenvoudig de aanval overnemen. Ze rukten die maand op naar de Don. Opnieuw leek een periode aangebroken van moeiteloze overwinningen net als in de vorige zomer. Men had nu echter een derde minder tanks dan het voorafgaande jaar. Al snel stond men voor de lastige keuze waar de weinige pantserdivisies moesten worden ingezet. Hitler, die na het debacle van 1941 de operationele leiding helemaal had overgenomen, kon de verleiding van de olie niet weerstaan en stuurde de hoofdmacht naar het zuiden, in de richting van de olievelden van Majkop. Door de verre opmars raakten de voorraden echter weer uitgeput. Daarbij konden de tanks toen ze Europa's hoogste gebergte bereikt hadden niet verder. Hun aanwezigheid daar was nutteloos en ze konden in zo'n afgelegen positie hun rol als pantserreserve niet meer uitoefenen. De grote terreinwinst betekende dus meteen een aanzienlijke verslechtering van de strategische situatie.
Hitler beval daarnaast, in plaats van de Don zoveel mogelijk te versterken, een nevenaanval naar Stalingrad, (het huidige Wolgograd). Die stad had een duidelijke symbolische waarde maar was ook een zeer belangrijk centrum van de oorlogsindustrie, dat bijvoorbeeld meer tanks produceerde dan alle As-mogendheden bij elkaar. Verovering van deze stad zou het grondgebied van de Sovjet-Unie ten westen van de Wolga praktisch onbereikbaar maken. De Duitsers waren echter niet sterk genoeg om de Wolga over te steken en zo de stad te omsingelen; men probeerde haar in te nemen door een frontale aanval, hoewel Stalingrad van over de Wolga kon worden bevoorraad. Stalin beval nu de stad tegen elke prijs te behouden en zo werd de Slag om Stalingrad een zeer bloedige uitputtingsslag die steeds meer Duitse mankracht en materieel naar zich toetrok en bond. Dat was niet alleen dwaas in operationeel opzicht: men verkwiste gevechtskracht aan een prestigekwestie — het betekende ook dat Legergroep B die de flank van Legergroep A in de Kaukasus moest dekken, zichzelf als een hapklaar brokje opdiende voor een Sovjettegenaanval, omdat de flanken van de Duitse troepen in Stalingrad slechts werden gedekt door twee zwakke Roemeense legers.
Dat de hoofdmacht van het Sovjetleger rond Moskou met rust werd gelaten, betekende tevens dat een groot deel van het Sovjetmaterieel in het zuiden kon worden ingezet en de grootte van die wapenmacht begon gedurende dat jaar voor de Duitsers letterlijk onvoorstelbare vormen aan te nemen. Ze beseften niet dat, terwijl de Duitse oorlogsindustrie in 1942 met slechts 40% groeide, de Sovjetoorlogsproductie vervijfvoudigde. De primitievere Sovjetmaatschappij was het gewend om het zonder consumptiegoederen te stellen en zo kon vrijwel alle industriële productie — die als geheel niet groter was dan de Duitse — geconcentreerd worden in de zware industrie. De nieuwe productiecentra in de Oeral brachten aldus een overmacht aan tanks en artillerie op de been die al even groot was als bij het begin van Operatie Barbarossa — maar nu van een veel hogere kwaliteit, zoals werd belichaamd in de T-34 tank die beter was dan de standaard Duitse modellen.
Deze welhaast onuitputtelijke materieelreserve compenseerde de tactische en operationele zwakten die de Sovjetcommandovoering tot het einde van de oorlog zouden blijven kenmerken. Dat hun tactieken simplistisch waren maakte het echter weer mogelijk om per maand honderdduizenden rekruten zonder veel training in de strijd te werpen; hier zocht men het veeleer in de kwantiteit dan de kwaliteit. In de zomer van 1942 vond er een constante opbouw van het Rode Leger plaats rond Moskou, terwijl daar vele lokale aanvallen werden ondernomen. Doordat Hitler de totale sterkte van het Sovjetleger onderschatte nam hij aan dat Stalingrad dus met rust zou worden gelaten en er hoogstens een secundaire aanval over de Don richting de Zee van Azov zou worden ondernomen.
Op 19 november sloeg de val dicht. In het zuiden ging Operatie Uranus van start en de Roemeense flanklegers werden door een concentrische aanval verpletterd. Het Duitse 6e Leger in de stad zelf had te weinig brandstof om aan de dreigende omsingeling te ontsnappen; een poging daartoe werd door Hitler trouwens ook uitdrukkelijk verboden. Hij was bang dat, als men zou beginnen terug te trekken, alle terreinwinst van 1942 weer verloren zou gaan en dat Duitsland nooit meer in staat zou zijn dit weer goed te maken. Men liet dus toe dat het 6e Leger in de stad werd omsloten. Pantserdivisies van Legergroep A werden uit de Kaukasus teruggetrokken om de omsingeling te doorbreken. Dit mislukte echter in december, opnieuw door gebrek aan brandstof maar ook door de weigering van Hitler om duidelijke besluiten te nemen. Nu hadden de Duitsers in het zuiden geen bruikbare mobiele reserve meer over. Door een aantal opeenvolgende aanvallen werd het Asfront steeds verder gedestabiliseerd.
Een aanval eind december richting Rostov, waarbij Roemeense troepen en het Italiaanse leger eenvoudig opzij geschoven werden, dwong tot een totale Duitse evacuatie uit de Kaukasus die op het nippertje kon worden uitgevoerd. Met moeite kon door de Wehrmacht in de Koeban een bruggenhoofd tegenover de Krim worden behouden; echter hun troepen in Stalingrad konden nu niet meer afdoende door de lucht worden bevoorraad. Op 2 februari 1943 gaven de 90.0000 overlevende Duitsers zich over, ondervoed en uitgeput. Ze hadden, inclusief de verliezen van de zomercampagne, in totaal zo'n 300.000 man verloren aan doden, gewonden en vermisten; de Sovjets waarschijnlijk minstens het dubbele. Van de krijgsgevangenen van Stalingrad zouden slechts enkele duizenden ooit hun land terugzien, sommigen pas tien jaar na de oorlog.
De Slag om Stalingrad wordt vaak zowel de "Bloedigste slag van de Tweede Wereldoorlog" genoemd als het "Keerpunt van de strijd aan het Oostfront". Beide kwalificaties zijn uiterst problematisch. Het hangt van de afgrenzing in ruimte en tijd af welke deelcampagne men als "het bloedigst" moet omschrijven. De slagen van 1944 vergden op dezelfde schaal bekeken in ieder geval veel meer slachtoffers. In zekere zin was de campagne van Stalingrad het "springtij van de Duitse opmars". Verder zou men niet meer komen. In operationeel opzicht kan de slag echter niet als het beslissende keerpunt worden beschouwd; dat miskent het fundamentele belang van de mislukking van de aanval op Moskou, waarna een Duitse eindoverwinning vrijwel uitgesloten was en de zwaarte van de gebeurtenissen in de zomer van 1943, die het onmogelijk zouden maken dat Duitsland althans een effectieve verdediging kon voeren. Het psychologische en propagandistische effect van de slag was echter aan beide zijden enorm. Nog nooit eerder was een compleet Duits leger verloren gegaan. Duitslands bondgenoten begonnen in het geheim toenadering tot de geallieerden te zoeken. Pas nu drong in Duitsland in brede lagen van de bevolking het besef door dat men de oorlog wel eens kon gaan verliezen.
Tot dan toe had het regime steeds voorrang gegeven aan de productie van consumptiegoederen om de bevolking tevreden te houden, nu moest het een 'totale oorlog' worden, volgens Goebbels' beruchte Sportpalast-rede van 18 februari 1943. De omzetting naar een echte oorlogseconomie zou echter moeizaam verlopen. Leger en industrie vochten om de schaarse mankracht; door de massale inzet van slavenarbeid, te verrichten door arbeiders uit de bezette gebieden die gedwongen te werk werden gesteld (de Arbeitseinsatz), hoopte men de tekorten te verzachten.
Door de val van Stalingrad kwamen vele Sovjetlegers vrij voor andere taken. Noordelijker aan de Don werden het zwakke Italiaanse en Hongaarse leger verpletterd. De hele zuidelijke helft van het front begon nu uiteen te vallen en de pantserspitsen van het Rode Leger spoedden zich onstuitbaar naar het westen richting Dnjepr. In het noorden forceerden de Sovjets in januari een nauwe bevoorradingsroute naar Leningrad. In deze stad waren toen in totaal 300.000 militairen gesneuveld en duizenden burgers door Duitse bombardementen omgekomen. Het grote en langdurige voedseltekort eiste echter een nog veel hogere tol: één miljoen burgers waren door uithongering gestorven. Tegelijkertijd met Operatie Uranus voerden de Sovjets vanaf 25 november een nog veel groter offensief uit: Operatie Mars gericht tegen Legergroep Midden. Men had de ambitie zo in één winter het Duitse leger te vernietigen. Deze aanval mislukte echter, maar Legergroep Midden had toch niet meer de kracht om ook nog de zuidelijke dreiging te pareren. De mankracht en het aantal tanks waren weer teruggevallen naar het lage niveau van de lente van 1942. In februari viel Charkow. De toestand voor de Duitsers was nu uiterst kritiek.
Tijdens de crisis rond Stalingrad begon Hitler te twijfelen of het wel zo'n goed idee was geweest om als amateur zelf het operationeel bevel over het Oostfront, als Oberbefehlshaber Ost, en zelfs direct over Legergroep A over te nemen. Hij gaf het commando over de nieuwe Legergroep Don in handen van de briljante strateeg veldmaarschalk Erich von Manstein, in de hoop dat de pure genialiteit van de man voldoende zou zijn om het tij te keren. Von Manstein maakte echter al snel duidelijk dat hij daarvoor dan wel de nodige vrijheid van handelen moest krijgen: iets waar Hitler, beducht voor de dominante persoonlijkheid van de hautaine Pruis, voor terugschrok; hij vreesde dat Von Manstein hem op den duur als oorlogsleider zou verdringen.
In februari was er echter geen ontkomen meer aan; als er niet heel snel ingegrepen werd, dreigde een catastrofale ineenstorting van het gehele Oostfront. Toen Charkow viel, gaf Hitler Von Manstein een carte blanche. Die nam daarop alle beschikbare pantserreserves, waaronder een nieuw SS-pantserkorps dat door Hitler foutief ter verdediging van Charkow ingezet was, en zigzagde ermee over het strijdtoneel. Al schuivende — hij maakte zelf de vergelijking met de rokade uit het schaakspel — sneed hij vanaf 19 februari binnen vier weken met een aantal snelle flankaanvallen de pantserspitsen van het Rode Leger af, vernietigde deze en dreef de resten terug over de Donets, aldus de integriteit van het front herstellend en Charkow heroverend. Alleen iets noordelijker, bij Koersk, verhinderde het invallen van de dooi een soortgelijke geplande aanval, zodat daar een uitstekende frontboog, een saillant ontstond. De Rokade van Von Manstein zou de laatste grote Duitse overwinning uit de oorlog zijn.
De Duitse generale staf had het plan om als de grond weer was opgedroogd, de saillant van Koersk alsnog te "reduceren", zodat het front daar kon worden ingekort. Een frontverkorting werd ook toegestaan aan Legergroep Midden, die zich uit zijn grote saillant voor Moskou mocht terugtrekken. Dit soort defensieve maatregelen om mankracht vrij te maken vond Hitler echter onvoldoende. Hij besefte wel dat Duitsland voorlopig in wezen een verdedigende strategie moest voeren om tijd te winnen voor de industriële opbouw, maar dat wilde hij zo agressief mogelijk doen, om de hoop op een eindoverwinning levend te houden. Anders zouden de eigen bevolking en de bondgenoten de indruk krijgen dat alle inspanningen slechts een uitstel waren van de onvermijdelijke nederlaag. Ondertussen was het Sovjetfront weer flink versterkt en de commandanten te velde meenden dus een krachtige strijdmacht nodig te hebben, zelfs voor maar een lokaal offensief. Tegelijkertijd begonnen de eerste resultaten van de industriële opbouw zichtbaar te worden in een stijgend aantal wapens, terwijl tevens een hele nieuwe generatie tanks op het punt stond geïntroduceerd te worden. Dit verleidde Hitler ertoe de operatie steeds langer uit te stellen.
Door het uitstel verbeterde de toestand van het Duitse leger aanzienlijk. De mankracht aan het Oostfront steeg weer tot boven de drie miljoen en er werd weer een redelijke pantsermacht opgebouwd van boven de 2000 tanks. Maar ook het Rode Leger kon zich nu herstellen. Omdat een aanval op Koersk nogal voor de hand lag, werd de saillant enorm versterkt. Een offensief had eigenlijk geen kans van slagen meer en de inspecteur-generaal van de pantsertroepen Heinz Guderian drong er bij Hitler op aan de aanval af te blazen. Dit om geen reserves te verspillen die essentieel waren voor zowel een succesvolle verdediging in het oosten als in het zuiden tegen een geallieerde aanval op Italië. Hoewel geplaagd door grote persoonlijke twijfel zette Hitler het offensief toch door.
De op 5 juli in gang gezette Slag om Koersk eindigde in een catastrofe. Ondanks de meest geconcentreerde inzet van Duitse pantsertroepen van de hele oorlog lukte het niet om voldoende door de dikke verdedigingszone te breken. De materieeluitval liep hoog op en na een week gebruikte Hitler de Landing op Sicilië als voorwendsel om de hele operatie af te blazen, zodat er geen voordeel tegenover die verliezen stond. Bovenstaand gebeuren is wel omschreven als de "Dodenrit van het Duitse Tankwapen"; in feite vielen de absolute verliezen echter nog mee, het meest schadelijk was dat door de slijtage het aantal operationele tanks met de helft verminderd was. Hierdoor was er geen pantserreserve meer beschikbaar om een Sovjetoffensief af te slaan en Stalin maakte daar onmiddellijk gebruik van. Duitsland zou nooit meer tot een groot offensief in het oosten in staat zijn; het had het strategisch initiatief voorgoed verloren — maar ook de oorlog want zelfs een afdoende verdediging bleek niet meer mogelijk.
Eind juli 1943 was het Duitse leger helemaal fout gepositioneerd om een zomeroffensief van het Rode Leger op te vangen. De grootste krachtenconcentratie bevond zich, lamgeslagen door de mislukking van het eigen offensief, rondom de saillant rond Koersk. Al snel werd die gebonden en teruggedreven door felle flankaanvallen die de Duitsers uit de "schouders" van de saillant bij Orel en Charkow terugdreven. De zuidelijker posities aan de Donets en Mioes sloegen met moeite nog een eerste offensief af maar toen een tweede poging tot een doorbraak leidde, was er geen reserve meer over om het front te stabiliseren. Over de gehele breedte van de Oekraïne begon het Duitse leger nu terug te vallen, wat in september al snel ontaarde in een wanordelijke vlucht richting de Dnjepr, waar de vermoeide troepen bescherming hoopten te vinden achter een stroom van een mijl breed. Die hoop zou niet uitkomen. Hitler had weliswaar op 12 augustus bevolen een ondoordringbare Ostwall (de Wotan-lijn) te vormen langs de rivier maar daarvoor geen krachten willen vrijmaken, uit angst dat zijn troepen het gebied ten oosten ervan dan zonder veel strijd zouden opgeven. Ook ging hij niet in op een suggestie van Von Manstein en Günther von Kluge het opperbevel over de hele oorlog over te dragen aan een enkele chef generale staf. De Duitsers probeerden de industrie en landbouw van de Donetsbekken zoveel mogelijk te vernietigen maar daarvoor ontbrak hun eenvoudig de tijd.
Doordat de rivierstelling niet tevoren versterkt was, mislukte de verdediging ervan volkomen, mede doordat de gebruikelijke herfstregens lang uitbleven. Legergroep Zuid was daarnaast ernstig onder sterkte, haar 37 divisies hadden gemiddeld nog maar duizend man infanterie over; de totale Duitse legersterkte aan het Oostfront was weer onder de 2,5 miljoen gevallen. Daarbij beval Hitler het 1e Pantserleger het Zaporizja-bruggenhoofd te behouden, op de punt van de grote rivierboog waar de stroom scherp naar het westen draait. De belangrijkste pantserreserve in die sector werd zo in een kwetsbare positie vastgepend. Ten noorden daarvan stak de Russische infanterie, vaak met de meest primitieve middelen, over een breed front van 250 kilometer massaal de rivier over, langzaam naar het zuidwesten opdringend. Ten zuiden probeerde het 6e Leger een korte lijn recht naar Melitopol aan de Zee van Azov te houden maar werd eind oktober uiteengeslagen en de westelijke onderloop van de rivier overgedreven; het Rode Leger rukte zo 200 kilometer op naar de Zwarte Zee en sneed het 17e Leger op de Krim af; Hitler had een tijdige aftocht verboden. Noordelijker trok het 5e Gardetankleger bij Krementsjoeg over de rivier en ook aan beide zijden van Kiev werden bruggenhoofden gevestigd.
Opnieuw werd Von Manstein erbij geroepen om de crisis te bedwingen. Door toestemming te krijgen om enkele pantserdivisies uit Frankrijk vrij te maken, kon hij weer een tegenaanval opzetten. Die had echter veel minder resultaat dan de vorige. Hij wist weliswaar eerst te verhinderen dat het hele front ten zuiden van Kiev gespleten werd, zodat de toestand zich wat stabiliseerde, maar kon daarna niet voorkomen dat de stad zelf verloren ging; alleen drong hij westelijker bij Zjytomyr tot in december de vijand lokaal wat terug. Deze tegenaanvallen kostten echter weer veel tanks; van nu af aan zou de tanksterkte aan het Oostfront niet meer dan een duizendtal bedragen, terwijl het Rode Leger 6.000 tot 12.000 tanks kon inzetten, al naargelang de intensiteit van de gevechten. Dat kwam niet niet doordat de Duitse tankproductie steeds verder achterliep, integendeel: die groeide flink terwijl de Sovjetproductie afvlakte. De reden lag in het besluit van Hitler om al het extra geproduceerde materieel te gebruiken voor de opbouw van een pantserreserve in Frankrijk om de verwachte invasie daar af te slaan.
Tot die tijd moest het Oostfront zoveel mogelijk terrein behouden door met de infanterie tot de laatste man stand te houden. Voor een hechte verdediging ontbrak echter de mankracht. Al in 1942 waren de infanteriedivisies tot twee regimenten teruggebracht, meestal ook nog onder sterkte, die elk gemiddeld vijftien kilometer front te houden hadden. Doorbraken konden daardoor in de regel niet voorkomen worden, waarna men maar weer naar het westen terugviel op de volgende te zwakke stelling.
Voor dit probleem was een fundamentele oplossing: het Naziregime, inclusief de incompetent gebleken Hitler, opofferen aan een vrede met de westelijke geallieerden zodat alle krachten op de oostelijke hoofdvijand gericht konden worden die, nadat een laatste vredesaanbod van Stalin in mei was afgewezen, niet meer tot een vergelijk bereid was. Dit gegeven leidde tot enorme spanningen binnen het Duitse opperbevel doordat Hitler juist Von Manstein zag als de natuurlijke leider van zo'n staatsgreep door de generaals, waarvan een aantal inderdaad al jaren lang tegen hem samenzwoer. Hitler was daarom bang om Von Manstein teveel macht te geven en wilde al helemaal niet ingaan op diens eis de reserve uit Frankrijk volledig in te zetten want dat paste alleen bij een strategie die uitging van een aparte vrede met het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Om zijn positie tegenover het reguliere leger te versterken, liet Hitler de politiek betrouwbaardere Waffen-SS tot een concurrerend leger uitgroeien. Het oprichten van deze nieuwe divisies was echter bijzonder inefficiënt; die mankracht kon beter gebruikt worden om bestaande divisies weer op sterkte te brengen door hun professionele kern met infanterie aan te vullen.
Legergroep Noord had al lange tijd onvoldoende versterkingen gehad. Om divisies vrij te maken had men een terugvalpositie voorbereid, de Pantherlinie, die haar front met de helft kon verkorten door gebruik te maken van het langgerekte Peipusmeer en verder sterker was doordat ze gedekt werd door de Narva. Voorspelbaar genoeg aarzelde Hitler met het geven van zijn toestemming voor de terugtocht. Op 14 januari 1944 werd de legergroep overvallen door een zwaar Sovjetoffensief om Leningrad te ontzetten. Na enkele dagen weerstand te hebben geboden werd men teruggedrongen en het Rode Leger maakte vanuit Leningrad weer aansluiting met de het bruggehoofd van Oranienbaum dat 28 maanden alleen over de Finse Golf bevoorraad had kunnen worden. Daarna viel op 20 januari zuidelijker Novgorod.
Verdere aanvallen dwongen de Duitsers weg van de stad; de belegering van Leningrad was eindelijk gebroken. Er vielen gaten die de legergroep niet meer met reserves kon dichten en de hele frontlinie begon uiteen te vallen. Veldmaarschalk Georg von Küchler, commandant van het 18e leger, drong er nu bij Hitler op aan onmiddellijk op de Pantherlinie terug te vallen. Die liet hem daarop vervangen door Walter Model. Het lukte deze het front weer te stabiliseren maar een enthousiast plan om met een tegenoffensief weer naar de Loega op te rukken, leek zelfs Hitler te hoog gegrepen. Alsnog kwam men tot de conclusie naar de Pantherlinie terug te moeten trekken, die men in maart met moeite tegen verdere aanvallen wist te houden.
Tegen eind december 1943 had Von Manstein nog de hoop gehad de Dnjeprpositie te herstellen en de Krim te ontzetten, aannemend dat het Rode Leger daarvoor voldoende verzwakt was. Op 24 december bleek hoe onjuist hij de situatie had ingeschat toen het Eerste Gardeleger vanuit Kiev opnieuw een groot offensief opende in zuidwestelijke richting. De Duitsers hadden geen reserves meer om deze aanval op te vangen en Von Manstein drong er bij Hitler op aan de benedenloop van de Dnjepr helemaal op te geven en de vrijgekomen eenheden over te brengen naar zijn linkerzijde om van daaruit met een flankaanval het Sovjetoffensief tot staan te brengen. Een woedende Hitler weigerde echter hierin toe te stemmen.
Het uitstel van drastische tegenmaatregelen leidde tot een aantal ernstige Duitse nederlagen. In het midden werd men over een breed front teruggedrongen en het lukte slechts het front stabiel te houden door het Eerste Pantserleger uit de Dnjeprbocht naar het westen te verschuiven. De terugtocht opende een gat op de uiterste linkerflank, ten zuiden van de Pripjetmoerassen, waardoor steeds meer Sovjeteenheden naar het westen infiltreerden. Meer naar het oosten dreigden de laatste Duitse posities aan de Dnjepr afgesneden te raken. Hitler stond geen evacuatie toe waardoor op 28 januari twee Duitse korpsen bij Korsoen-Sjewtsjenkiwskij omsloten raakten; een ontzettingspoging door het Eerste Pantserleger kostte vele tanks en redde slechts een klein aantal manschappen. Eind januari begon op de rechterflank ook een groot offensief tegen de Duitse troepen in de Dnjeprbocht. Na zware gevechten gaf men het bruggenhoofd over de Dnjepr op en moest ook Nikopol worden opgegeven waardoor de belangrijkste bron van nikkelerts verloren ging, een ramp voor de Duitse oorlogsindustrie die nikkelstaal nodig had voor de fabricage van vele essentiële onderdelen — dit was ook de reden geweest dat Hitler deze positie per se wilde behouden. Deze overwinningen van het Rode Leger waren echter niet goedkoop.
De Duitse troepen verweerden zich op bekwame wijze, daarbij geholpen door het feit dat de nieuwe Panthertanks een steeds groter deel van hun pantsermacht vormden, terwijl de nieuwe Sovjettank, de T-34-85, nog maar net begon in te stromen. De slagen in de Westelijke Oekraíne behoorden dan ook tot de zwaarste van de oorlog. Het Stavka was echter bereid om ruim een half miljoen man en 2000 tanks per maand op te offeren om de verovering te forceren van wat het als de sleutelpositie voor de eindoverwinning zag en besloot over te gaan tot een nog veel grotere krachtsinspanning.
De Duitsers verwachtten dat het Rode Leger zich tot na de dooiperiode kalm zou houden; Von Manstein wilde die rustperiode gebruiken om de dreiging op zijn linkerflank te pareren. Als de vijand daar nog wat verder naar het Westen opdrong, zou hij de aanvoerlijn vanuit Polen voor Legergroep Zuid afsnijden. Von Manstein dirigeerde dus het Eerste Pantserleger meer naar het westen om het het Vierde Pantserleger mogelijk te maken ook op te schuiven teneinde een mogelijke aanval richting Lvov te blokkeren. Op zich was deze maatregel dringend noodzakelijk, maar de manoeuvre kon alleen veilig worden uitgevoerd in combinatie met een gehele terugtocht naar het westen, iets wat Hitler nog steeds niet toestond. De lijn in de Dnjeprbocht werd nu ontbloot van pantsereenheden wat al snel zou leiden tot een catastrofe.
Op 4 maart openden het Eerste en Tweede Oekraïense Front onverwachts een geweldige aanval, een reusachtige tangbeweging met inzet van vijf hele pantserlegers. De eerste legergroep rukte vanuit Rovno naar het zuiden op, terwijl de tweede vierhonderd kilometer oostelijker bij Oeman naar het zuidwesten begon te bewegen. De Duitse Eerste en Vierde Pantserlegers lukte het om op de linkerflank in felle afweerslagen met een zeker succes het vertragend gevecht te voeren terwijl men op Tarnopol terugviel, maar het Achtste Leger op de rechterflank werd door drie pantserlegers uiteengeslagen.
In de eerste helft van 1943 was het tij van de oorlog op alle andere fronten ook gekeerd: Rommel en de Italianen waren verdreven uit Noord-Afrika, de Geallieerden landden op Sicilië, hetgeen leidde tot de val van de toch al nooit nuttige bondgenoot Mussolini. In september koos het nieuwe Italiaanse regime voor de Geallieerden. Zo mogelijk nog belangrijker was dat de bestrijding van Duitse onderzeeboten vanaf mei 1943 veel effectiever werd, waardoor konvooien uit Amerika en Canada nu op grotere schaal de Britse en de Russische bondgenoten konden bevoorraden. Het eigen grondgebied kreeg nu steeds zwaarder te lijden onder bombardementen van de westelijke Geallieerden, die betrekkelijk weinig militaire schade aanrichtten, maar wel honderdduizenden burgers het leven kostten en hele steden verwoestten. Er moest dus ook veel geïnvesteerd worden in de luchtverdediging. De Duitsers kregen dus steeds meer moeite hun krachten te verdelen, terwijl de Russische, Arabische en Roemeense olievelden verder uit het gezichtsveld raakten, dan wel verloren gingen.
Toen op 6 juni 1944 (D-day) het reeds lang beloofde tweede front werd geopend in het westen, werd het voor de Russen wat gemakkelijker, hoewel zij vrijwel tot het einde toe altijd veel zwaardere verliezen leden dan de Duitsers. Nazi-Duitsland moest bovendien nog strijden tegen Joegoslavische, Griekse en Italiaanse partizanen, plus Geallieerde troepen in Italië en Zuid-Frankrijk.
De Duitsers, die ondanks de steeds kleinere kans op de overwinning door bleven vechten, verwoestten op hun terugtocht uit Rusland zo veel mogelijk wat anders in handen van de Sovjets zou vallen. Deze tactiek van de verschroeide aarde had de Sovjet-Unie in het begin van de oorlog ook al toegepast. Het Rode Leger, dat uit enkele miljoenen soldaten bestond bleef echter onstuitbaar oprukken. Uiteindelijk bereikte het Sovjet-leger, na Rusland en grote delen van Oost-Europa veroverd te hebben, Berlijn. Duitsland raakte door zijn reserves heen en zette steeds meer mensen in: buiten de Wehrmacht en de SS richtte men ook volksmilities op zoals verschillende burgerwachten, en de Volkssturm. Ook de politie, vrouwen die eigenlijk als verpleegster dienst deden, en de leden van de Hitlerjugend, die allen wisten dat ze van het Rode Leger niets goeds te verwachten hadden, vochten om de Sovjets tegen te houden. De Slag om Berlijn werd begin mei beslist. Op 30 april pleegde Hitler zelfmoord en op 2 mei hees sergeant Meliton Kantaria van het Rode Leger de Sovjet-Russische vlag op het dak van de Duitse Rijksdag. Wat begon als een onderneming voor 'Lebensraum' en veiligheid voor het Duitse volk, eindigde in de totale vernietiging van grote delen van Europa.
Ook de prijs voor de Sovjet-Unie was hoog: zij verloren in de Tweede Wereldoorlog 21 miljoen mensen. De opmars van het Rode Leger ging echter ook gepaard met het opzettelijk ombrengen en deporteren van meer dan een miljoen Duitse burgers, honderdduizenden Polen, Oekraïeners, Esten, Letten en eigen Russische burgers die aan de verkeerde kant van het front waren beland. Daarnaast vonden massale verkrachtingen van vrouwen door heel Oost-Europa plaats (alleen al in Berlijn naar schatting 300.000).
Het is later gebleken dat meer dan 80% van alle Duitse verliezen in Tweede Wereldoorlog geleden zijn aan het Oostfront. Aan het Oostfront bevond zich grofweg 75% van het Duitse leger en het is ook in Rusland dat zij de oorlog langzaam verloren. Toen in 1944 de Geallieerden in Frankrijk landden, was de strijd al voor een groot deel gestreden. Het Oostfront bleek het beslissende theater in de gehele oorlog, met consequenties die tot op de dag van vandaag voortduren.