Palatalisatie of palitalisering, ook wel verzachting genoemd, is het proces waarbij de articulatie van een medeklinker verschuift richting het verhemelte (palatum). De term wordt zowel gebruikt in de (historische) fonologie (de leer van de spraakklanken, vooral in hun betekenisonderscheid) als in de fonetiek (de leer van de spraakklanken met nadruk op hun fysische eigenschappen).
De spreker brengt spraakklanken niet met open mond voort. Een spraakklank is immers een luchttrilling, en zo'n trilling ontstaat alleen als er in mond of neus een vernauwing wordt gemaakt, een hindernis die de lucht doet trillen. Afhankelijk van de plaats waar die hindernis wordt gevormd, neemt de spraakklank zijn kenmerken aan. Wordt de tong bijvoorbeeld in de keelstreek omhoog gebracht, dan produceert de hindernis daar een velaar, een keelklank: bijvoorbeeld een /k/ of een /g/. Maar als die vernauwing tussen tong en verhemelte wordt gevormd, is het resultaat een palataal, een verhemelteklank, bijvoorbeeld een /tj/.
Met palatalisatie wordt vaak een klankverschuiving aangeduid die optreedt bij keelklanken (velaren), zoals de /k/ in kool en de /g/ in het Engelse goat. Zij schuiven bij palatalisatie naar voren: de ademhindernis vindt nu bij het verhemelte plaats.
De term palatalisatie wordt ook gebruikt voor een verhoging van de tongpositie, zodat deze tijdens het spreken dichter bij het verhemelte komt te liggen. Zo wordt het Russische woord voor "nemen" ongeveer uitgesproken als [bratj]: de j geeft de palatalisatie aan.
Zulke klankverschuivingen vinden niet van de ene dag op de andere plaats: zij zijn onderdeel van een historisch proces van taalverandering. Zo kan onder invloed van omringende klanken een uitspraakvariant (allofoon) van een klank "in een bepaalde omgeving" ontstaan. Wanneer deze uitspraak zich zodanig verder ontwikkelt dat ze niet meer als variant van de oorspronkelijke klank herkenbaar is, ontstaat een fonologisch onderscheid, de klank is "definitief" veranderd. Als een dergelijke verschuiving systematisch optreedt spreekt men van een klankwet. Zo ver hoeft het echter niet te komen; taalverandering is immers een natuurlijk en daardoor grillig en onvoorspelbaar proces.
Inhoud |
De historische taalkunde heeft zich intensief bezig gehouden met het Latijn en de talen die ervan afstammen, de Romaanse talen: hiervoor was immers veel onderzoeksstof aanwezig, de talen waren volop bekend.
Algemeen wordt aangenomen dat palatalisatie heeft plaatsgevonden in de ontwikkeling van het Latijn naar de Romaanse talen. In het Latijn werd met de letter c een keelklank (/k/) aangeduid, maar deze is in de Romaanse talen in een aantal situaties gepalataliseerd tot /tsj/, en daarna soms weer verder tot /sj/ of zelfs /s/.
Als de Latijnse c (/k/ in de uitspraak) aan een klinker voorafging die voor in de mond werd uitgesproken (een voorklinker), trad palatalisatie op in de talen die van het Latijn afstamden, zoals het Frans, het Italiaans, het Spaans en het Portugees.
| Latijn | Italiaans | Frans |
| Cicero | Cicerone | Cicéron |
| tweemaal /k/ | tweemaal /tsj/ | tweemaal /s/ |
Het komt ook voor dat de klinker na de c géén voorklinker was, maar dat in een dochtertaal wel werd. Ook dan vinden we palatalisering, zoals uit het Franse voorbeeld hieronder blijkt. De woorden betekenen "dierbaar".
| Latijn | Italiaans | Spaans | Portugees | Frans |
| carus | caro | caro | caro | cher |
| /k/ | /k/ | /k/ | /k/ | /sj/ |
Het Frans onderscheidt zich echter van andere Romaanse talen doordat ook bij achterklinkers systematisch palatalisatie optreedt, zoals blijkt bij de volgende woorden voor "kaars":
| Latijn | Italiaans | Spaans | Portugees | Frans |
| candela | candela | candela | candeia | chandelle |
| /k/ | /k/ | /k/ | /k/ | /sj/ |
Binnen de Germaanse talen onderscheidt het Ingveoons zich van de andere talen door palatalisatie: vergelijk Nederlands kerk, Duits Kirche tegenover Fries tsjerk en Engels church.
(Hierbij valt overigens op dat bij het Engels en bij het Duits ook nog palatalisatie aan het einde van het woord optreedt: de /tsj/ in het Engels en de Duitse ichlaut /chj/.)
Ook in de ontwikkeling van de Baltische en Slavische talen zijn diverse palatalisaties opgetreden. Twee equivalenten voor "vrouw":
| Oudgrieks | Oudkerkslavisch |
| gunē | žena |
| /g/ | /zj/ |
In de Goidelische talen worden palatale medeklinkers in de orthografie onderscheidden van velare medeklinkers door toevoeging van een i. Bijvoorbeeld: Gaeilge, [geːlʲɟə].
In de fonetiek wordt met palatalisatie een minder ingrijpend proces aangeduid, waarbij de uitspraak van een medeklinker onder invloed van omringende klanken een lichte verschuiving richting het palatum ondergaat. Een bepaald foneem krijgt dan bijvoorbeeld vóór of na bepaalde klinkers "automatisch" een gepalataliseerde uitspraak. Dit proces is qua werking vergelijkbaar met assimilatie en umlaut, waarbij de fonetische "omgeving" eveneens tot een verandering in uitspraak leidt.
| Oud Engels | Modern Engels |
| bōc | book |
| /k/ | /k/ |
| pic | pitch |
| /k/ | /tsj/ |
In het eerste voorbeeld ("boek") is in de loop der tijd geen palatalisering opgetreden, in het tweede ("pek"), onder invloed van de voorklinker /i/, wel.
Palatalisering trad in het Oudengels al op als een /k/ of een /g/ naast een voorklinker stonden. Zo is een Germaanse /k/ bewaard gebleven in ons kiezen, maar in het Oudengels werd de /k/ onder invloed van de volgende /ē/ gepalataliseerd:
| Germaans | Oud Engels |
| kiusan | ceosan |
| /k/ | /tsj/ |
Iets dergelijks kwam voor in de combinatie /ggj/, waar aanvankelijk zelfs een dubbele /g/ werd uitgesproken. De invloed van de /j/ zorgde er echter voor dat de gehele combinatie ging worden uitgesproken als /dzj/. De Oudengelse voorloper van to say, "zeggen", bijvoorbeeld is:
| vroeg Oudengels | later Oudengels |
| seggjan | secgan |
| /ggj/ | /dzj/ |
De combinatie /sk/, geschreven als sc, werd zelfs altijd gepalataliseerd, of er nu een voorklinker op volgde of een achterklinker. De woorden voor sheep, "schaap", en voor shower, "regenbui":
| Germaans | Oud Engels |
| ?skæpa | scep |
| /sk/ | /sj/ |
| ?skuraz | scur |
| /sk/ | /sj/ |
In al deze gevallen is de palatalisering in het Nederlands niet opgetreden: wij gebruiken nog de velaren in respectievelijk:
Een dergelijke verschuiving kan zich echter, zoals hierboven werd beschreven, nestelen in de fonologie. Wat oorspronkelijk nog duidelijk herkenbaar was als variant van een bepaalde klank (allofoon) wordt dan een apart, nieuw foneem, een betekenisonderscheidende klank.
Historische ontwikkelingen kunnen hun sporen in de hedendaagse taal achterlaten doordat er betekenisonderscheidende elementen kunnen worden waargenomen. In de synchrone fonologie kan palatalisatie een onderscheidende feature zijn. Anders dan bij de fonetische palatalisatie gaat het hier niet om een omgevingsafhankelijk proces. De gepalataliseerde klanken zijn nu betekenisdragende fonemen die in principe op elke plaats kunnen voorkomen. In de Oost-Slavische talen, met name het Russisch, hebben veel medeklinkers een gepalataliseerde ("zachte") en een niet-gepalataliseerde ("harde") variant, die betekenisonderscheidend zijn. Beide kunnen zowel vóór voorklinkers als vóór achterklinkers voorkomen, alsook vóór andere medeklinkers. Zie hierover ook fonetiek en fonologie van het Russisch.
In de spelling van het Russisch wordt palatalisatie onder andere aangegeven met een speciale letter: het zachte teken ь. In transcriptie gebruikt men hiervoor een apostrof.
| "mat" | "moeder" | "kneden" |
| мат | мать | мять |
| /mat/ | /mat'/ | /m'at'/ |
| "dag" (genitief) | "afgrond" (genitief) |
| дня | дна |
| /dn'a/ | /dna/ |
Het onderscheid tussen gepalataliseerde en niet-gepalataliseerde medeklinkers (in de Russische grammatica resp. "zachte" en "harde" medeklinkers genoemd) kan op verschillende manieren ontstaan zijn:
Palatalisatie hangt dus af van de omringende klanken. Maar die klanken kunnen uitgangen zijn, bijvoorbeeld bij een naamwoordsverbuiging: de ene naamval eindigt bijvoorbeeld op -o, de andere op -i. Onder invloed van die verschillende uitgangen kan de stam van een woord gaan verschillen (allomorfie). Vóór de ene uitgang zal de eindklank van de stam immers gepalataliseerd worden, voor de andere niet.
Zo treffen we in het Italiaans de volgende set aan (enkel- en meervoud):
terwijl het Tsjechisch voor "Praag" een (uiteraard enkelvoudige) naamval kent met assimilatie:
Dit uitspraakverschil komt niet altijd in de spelling tot uitdrukking, zoals uit het Italiaanse voorbeeld blijkt. Maar evenzo kan de Nederlandse c een /k/-klank weergeven, maar ook een /s/-klank, dus dit verschijnsel is niet uitzonderlijk.