Het Proto-Indo-Europees (PIE) is de hypothetische voorouder van de Indo-Europese talen. Deze zou tot het 3e millenium voor Christus gesproken zijn in Anatolië en in het gebied rond de Kaspische zee, alvorens uiteen te vallen in vele Europese, Iraanse en Zuid-Aziatische talen. Schriftelijke bewijzen ervan zijn nooit gevonden, maar van het bestaan ervan wordt sinds een eeuw uitgegaan door taalkundigen. Er zijn vele pogingen ondernomen om deze te reconstrueren. Er zijn echter nog veel twistpunten en onduidelijkheden overgebleven.
Inhoud |
Voor de reconstructie van het PIE zijn niet alle Indo-Europese talen even nuttig gebleken. Talen waarvan al heel vroeg geschreven bronnen teruggevonden zijn zoals Sanskriet, Grieks en Hettitisch of talen die weinig veranderingen ondergaan hebben zoals de Baltische talen zijn van groter belang dan bijvoorbeeld het Albanees of het Afrikaans. Wel is het zo dat sommige talen het ene kenmerk beter behouden hebben dan het andere. Baltische talen hebben bijvoorbeeld de verbuigingsuitgangen goed bewaard, Germaanse talen juist de ablaut in de vervoeging van werkwoorden.
| Naamvallen |
|---|
| Nominatief |
| Genitief |
| Datief |
| Accusatief |
| Vocatief |
| Ablatief |
| Locatief |
| Instrumentalis |
In de laatste ontwikkelingsfase van het PIE vóór het uit elkaar groeien in de verschillende takken kende de taal een uitgebreid stelsel van naamvalsuitgangen. Er werden acht naamvallen onderscheiden (zie tabel hiernaast). Verder waren er drie getallen: enkelvoud, tweevoud en meervoud. In principe had ieder woord dus 3 x 8 = 24 afzonderlijke vormen, maar al vroeg waren niet alle vierentwintig ook daadwerkelijk verschillend voor ieder woord.
Er waren drie geslachten van zelfstandige naamwoorden: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig, hoewel het ontstaan van het vrouwelijk woordgeslacht een wat latere ontwikkeling was. De vroegste Indo-Europese talen waarvan geschreven bronnen zijn, de Anatolische talen zoals Hettitisch onderscheidden twee klassen: levend en niet-levend. Bijvoeglijke naamwoorden en betrekkelijke voornaamwoorden volgden naar geslacht en getal.
De naamvalsuitgangen bestonden in de regel uit een stamklinker en een uitgang. Woorden vielen daarmee in verschillende verbuigingen met andere uitgangen, afhankelijk van de stam(klinker).
Over de reconstructie zijn taalkundigen het niet altijd in alle details eens. Dat is de schaarse gegevens waarop men zich moet baseren ook onvermijdelijk. Welke vorm precies in welke tijd gebruikt is zal in veel gevallen een open vraag blijven. In de onderstaande reconstructies onderscheidt bijvoorbeeld Ramat wel thematische en athematische stammen (met en zonder tussenklinker) en Beekes niet. Ook de volgorde waarin men de acht naamvallen in een paradigma zet is zeker niet uniform. Dat geldt ook voor de beschrijving van moderne talen. In het IJslands wordt de genitief bijvoorbeeld nooit als tweede genoemd.
| (Beekes 1995) | (Ramat 1998) | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Athematisch | Thematisch | ||||||||||||||
| Mannelijk en Vrouwelijk | Onzijdig | Mannelijk en Vrouwelijk | Onzijdig | Mannelijk | Onzijdig | ||||||||||
| Enkv. | Mv. | Twv. | Enkv. | Mv. | Twv. | Enkv. | Mv. | Twv. | Enkv. | Mv. | Enkv. | Mv. | Twv. | Enkv. | |
| Nominatief | -s, 0 | -es | -h₁(e) | -m, 0 | -h₂, 0 | -ih₁ | -s | -es | -h₁e? | 0 | (coll.) -(e)h₂ | -os | -ōs | -oh₁(u)? | -om |
| Accusatief | -m | -ns | -ih₁ | -m, 0 | -h₂, 0 | -ih₁ | -m̥ | -m̥s | -h₁e? | 0 | -om | -ons | -oh₁(u)? | -om | |
| Genitief | -(o)s | -om | -h₁e | -(o)s | -om | -h₁e | -es, -os, -s | -ōm | -os(y)o | -ōm | |||||
| Datief | -(e)i | -mus | -me | -(e)i | -mus | -me | -ei | -ōi | |||||||
| Instrumentalis | -(e)h₁ | -bʰi | -bʰih₁ | -(e)h₁ | -bʰi | -bʰih₁ | -bʰi | -ō | -ōjs | ||||||
| Ablatief | -(o)s | -ios | -ios | -(o)s | -ios | -ios | |||||||||
| Locatief | -i, 0 | -su | -h₁ou | -i, 0 | -su | -h₁ou | -i, 0 | -su, -si | -oi | -oisu, -oisi | |||||
| Vocatief | 0 | -es | -h₁(e) | -m, 0 | -h₂, 0 | -ih₁ | -es | (coll.) -(e)h₂ | |||||||
Een kenmerk van het PIE dat op de huidige dag in het Nederlands nog behouden is, is de vorming van tijden van het werkwoord door een verandering in de klinker van de stam van het werkwoord, zoals in: ik zwem - ik zwom. Deze ablaut is bijzonder oud.