|
|
|
|---|---|
| Zelfportret (1661) | |
| Volledige naam | Rembrandt Harmenszoon van Rijn |
| Geboren | 15 juli 1606 of 1607 |
| Overleden | 4 oktober 1669 |
| Geboorteland | Nederland |
| Beroep(en) | Kunstschilder |
| Stijl(en) | Barok Caravaggisme |
|
|
|
Rembrandt Harmenszoon van Rijn (Leiden, 15 juli 1606 of 1607 [bron?] - Amsterdam, 4 oktober 1669) was een Nederlands kunstschilder. Hij leefde en werkte in de Gouden Eeuw, het hoogtepunt van de Nederlandse cultuur, wetenschap, handel en macht. Rembrandt wordt algemeen beschouwd als de belangrijkste Hollandse meester van de 17e eeuw en vervaardigde in totaal ongeveer driehonderd schilderijen, driehonderd etsen en tweeduizend tekeningen. Zijn werk behoort tot de Barok en is beïnvloed door het Caravaggisme. Hij was de enige Hollandse schilder die met zijn voornaam tekende.
Inhoud |
Rembrandt beschouwde zichzelf als een historie- en portretschilder. Hij maakte in alle levensfasen door iedereen bewonderde zelfportretten. Zijn honderd geschilderde en twintig geëtste zelfportretten geven een opmerkelijk scherp beeld van zijn uiterlijk en zijn gevoelens. Zijn naaste familie: zijn moeder, zijn vrouw Saskia van Uylenburgh, en zijn zoon Titus van Rijn zijn vaak nadrukkelijk in zijn schilderijen aanwezig. Misschien hebben ook zijn maîtresses Geertje Dircx en Hendrickje Stoffels gefungeerd als model voor bijbelse of historische figuren, maar daarvoor zijn nauwelijks bewijzen.
Ook zijn etsen en tekeningen zijn beroemd. Zijn opmerkelijke beheersing van het spel met licht en donker, waarbij hij vaak scherpe contrasten (clair-obscur) neerzette, om zo de toeschouwer de voorstelling binnen te leiden, leidde tot levendige scènes vol dramatiek. Zijn zichtbare betrokkenheid en compassie, ongeacht rijkdom, leeftijd of afkomst maken Rembrandt overal ter wereld begrepen en gewaardeerd.
Rembrandt van Rijn werd op 15 juli 1606 in Leiden geboren in de Weddesteeg, als negende kind van de molenaar, Harmen Gerritsz. en een welgestelde bakkersdochter Neeltje van Zuytbrouck.[1] Rembrandt bezocht de Latijnse school en werd op bijna 14-jarige leeftijd door zijn ouders ingeschreven aan de universiteit van Leiden. Waarschijnlijk bleef het daarbij omdat Rembrandt te kennen gaf dat hij liever schilder wilde worden. Rond 1621 deden zijn ouders hem voor drie jaar in de leer bij de Leidse historieschilder Jacob van Swanenburgh. In 1625 vertrok hij naar Amsterdam om in de leer te gaan bij de toen toonaangevende schilder Pieter Lastman, waar hij leerde composities op te bouwen. Vervolgens opende Rembrandt een atelier in Leiden, waar hij veel samenwerkte met zijn vriend, studiegenoot en collega Jan Lievens. Constantijn Huygens, secretaris van de stadhouder en kunstkenner bezocht hen en verhaalde vervolgens met bewondering over het werk van de twee aanstormende talenten.[2] In 1627 nam Rembrandt voor het eerst leerlingen aan, onder wie Gerrit Dou en Isaac de Jouderville. Een van de eerste Amsterdamse kopers van zijn werk was Joan Huydecoper van Maarsseveen.[3]
In 1631 was Rembrandt al zo bekend dat hij verschillende opdrachten kreeg, waaronder van Nicolaes Tulp. Het schijnt dat hij daarom verhuisde naar Amsterdam. Hij kocht zich in bij de kunsthandelaar Hendrick Uylenburgh, die hem nog meer opdrachten bezorgde, zoals een portret van Johannes Wtenbogaert. Rembrandt produceerde in deze jaren een nooit meer geëvenaard aantal schilderijen in zijn werkplaats. In 1634 trouwde Rembrandt met Hendricks nicht Saskia Uylenburgh. Ze kwam uit een goede familie: haar vader Rombertus van Uylenburgh was ooit burgemeester van Leeuwarden; haar zwager was de Poolse theoloog Johannes Maccovius; haar nicht Hendrickje was getrouwd met de Friese schilder Wybrand de Geest. Haar nicht Aeltje, getrouwd met Johannes Silvius, de predikant van de Oude kerk woonde ook in Amsterdam. Ook zij kan Saskia, die in St. Annaparochie woonde bij haar oudere zus Titia, met Rembrandt in contact hebben gebracht. Titia of Tietje was met de plaatselijke grietenijsecretaris getrouwd. Het huwelijk is aldaar voltrokken, zonder de aanwezigheid van Rembrandts familie.[4]
In 1639 verhuisden Rembrandt en Saskia van een voornaam huis in de Nieuwe Doelenstraat - het echtpaar woonde in bij Willem Boreel - naar een eigen huis in de Sint Anthoniesbreestraat: een straat met veel immigranten en leidend naar de Joodse buurt.[5] Zijn woonhuis is nu het museum Het Rembrandthuis, aan de Jodenbreestraat. Hoewel het hun financieel voor de wind ging - Rembrandt erfde 10.000 gulden van zijn moeder - kreeg Saskia ook commentaar van haar familie en voormalig voogd dat ze haar geld er door joeg.[6] Rembrandt nam een andere kunsthandelaar aan de hand, Joannes de Renialme, wonende op de Kloveniersburgwal.
Rembrandt en zijn vrouw kregen te maken met verschillende tegenslagen; driemaal moest een kind worden begraven vlak na de geboorte. In 1641 kregen zij een zoon, die ze vernoemden naar haar zuster Titia en Titus noemden. Toen Saskia kort daarna stierf - maar Rembrandt eerst had laten beloven dat hij nooit opnieuw zou trouwen - nam hij de weduwe Geertje Dircx uit Ransdorp, als verzorgster in dienst.[7] Van het een kwam en het ander, maar het stel ging met ruzie en juridische processen uit elkaar, toen Geertje Rembrandt voor de rechter had gedaagd wegens verbroken huwelijksbeloften. Met behulp van haar broer en haar nieuwe buren kreeg Rembrandt het voor elkaar om haar een aantal jaren in een spinhuis in Gouda te laten opsluiten. Rembrandt betaalde voor de reiskosten. Het ging hem blijkbaar ook niet in de koude kleren zitten, want hij produceerde bijzonder weinig in 1649. In dat jaar was Hendrickje Stoffels de opvolgster van Geertje geworden. In 1654 kreeg zij een officiële berisping van de Gereformeerde kerk, omdat zij 'in hoererij leefde' met de schilder Rembrandt. Rembrandt werd niet vermaand omdat hij geen officieel lidmaat van de kerk was. In datzelfde jaar kregen zij een buitenechtelijke dochter die ze Cornelia noemde, naar Rembrandts moeder.
Rembrandt leefde in die tijd boven zijn stand. Met regelmaat kocht hij exotische voorwerpen zoals kledingstukken, die hij vaak in zijn schilderijen gebruikte. Al jaren stroopte Rembrandt veilingen af om kunst te kopen, soms dure prenten van de door hem bewonderde Lucas van Leyden. In 1656 kon hij zijn verplichtingen niet meer nakomen om de leningen voor zijn huis afbetalen.[8] Burgemeester Cornelis Jan Witsen wilde zijn uitgeleende geld terug en vroeg Rembrandts faillissement aan.[9] De inventarisatie van het gehele bezit volgde en deze 363 nummers tellende lijst is het belangrijkste document voor het inzicht in Rembrandts leven geworden. Tegenover armelijk huisraad stond een rijkdom aan kunstvoorwerpen. Naast schilderijen en een verzameling van antieke portretten, wapens, enz. enz. moet vooral de collectie tekeningen en grafiek worden genoemd.[10] Op een veiling onder leiding van Jacob J. Hinlopen werd in 1658 zijn huis en inboedel verkocht.[11] Ook zijn vroegere vriend Jan Six had zich nu van hem afgekeerd.
Rembrandt ging in een kleinere huurwoning op - tegenwoordig - Rozengracht 184 wonen.[12] Rembrandt moet deskundige, juridische adviseurs hebben gehad, want Titus had inmiddels zijn vader benoemd tot enige erfgenaam, en de familie Uylenburgh had het nakijken.[13] Hendrickje en Titus werden eigenaars van de schilder- en kunsthandel, zodat Rembrandt ongeplaagd door crediteuren in het atelier op de Bloemgracht kon blijven produceren. Het is niet onmogelijk dat Rembrandt in 1661 opdracht kreeg voor de levering van een Claudius Civilis voor het in aanbouw zijnde stadhuis via bemiddeling van Jan J. Hinlopen. In het volgende jaar kwam de belangrijke opdracht voor het schilderij De Staalmeesters.
Hendrickje bezweek in 1663 en Titus in 1668, niet lang nadat hij zijn nicht had getrouwd. Rembrandt had in de tussentijd zijn drie laatste zelfportretten geschilderd. Cosimo III de' Medici had in 1667 bij een bezoek tevergeefs geprobeerd een portret bij hem te kopen, hetgeen bij een tweede bezoek twee jaar later wel lukte.[14] Rembrandt stierf op 4 oktober 1669 en werd vier dagen later begraven in een gehuurd graf in de Westerkerk. De nabestaanden betaalden 15 gulden aan de koster, een niet gering bedrag en meestal duidend op enige welstand en een uitgebreide plechtigheid.[15]
Volgens Karel van Mander zijn er twee manieren om te schilderen: wild of fijn. Rembrandt wist beide technieken te combineren. Door zijn vrije en trefzekere techniek kon Rembrandt zich veroorloven met de kwast het schilderij meteen ruw op te zetten. De meeste schilders maakten eerst een ondertekening in houtskool. Bovendien gebruikte Rembrandt, meer dan tijdgenoten, een dikke onderschildering. De witte onderschilderingen zijn vervolgens met doorzichtige verf in een glaceertechniek overgeschilderd, waardoor rijke kleuren zijn ontstaan. Ten slotte gebruikte Rembrandt de frottis- ofwel droge kwast-techniek: de bijna droge verf bleef niet overal zitten en geeft een willekeurige, spikkelachtige structuur.
Rembrandt schilderde Het korporaalschap van Frans Banning Cocq en luitenant Willem Ruytenburgh maakt zich gereed, beter bekend als De Nachtwacht, tussen 1640 en 1642. Het meesterwerk werd besteld voor de nieuwe Kloveniersdoelen, de musketierssectie van de schutterij. In het schuttersstuk nam Rembrandt afstand van de conventie, die voorschreef dat dergelijke groepsportretten stijf en formeel moesten zijn. Meer dan een opstelling is het een actiescène. Hij toonde de burgerwacht juist op een moment dat deze de poort uitkomt. Omdat het schilderij in 1715 naar het Trippenhuis verhuisde, zijn er stukken afgesneden om het passend te maken voor de nieuwe locatie tussen twee ramen. Door deze verminking van het doek zijn drie bijfiguren verdwenen, en staan de man met de helm, links en de trommelslager, rechts er slechts voor de helft op. Ook is er minder lege ruimte vooraan links aanwezig zodat het effect van beweging naar links vermindert. De hoofdfiguren staan nu vrijwel in het midden, terwijl zij eerst rechts daarvan stonden (in hun oude positie bereikte Rembrandt meer dynamiek).
Voor de de verbouwing van het Rijksmuseum Amsterdam heeft een bouwhistorisch onderzoek plaatsgevonden, waarbij ook is gekeken naar 'de route naar de Nachtwacht'.[16] Rembrandt woonde destijds naast Nicolaes Eliasz. Pickenoy.
Er is menig verhit debat gevoerd tussen kenners van Rembrandt over de authenticiteit van veel schilderijen die lange tijd aan hem toegeschreven waren: werden ze door Rembrandt zelf gemaakt, door een van zijn leerlingen, of deels door beiden? Veel van zijn leerlingen zijn zelf beroemd, zoals:
|
Rembrandt signeerde diverse keren het werk van zijn leerlingen. In 1968 werd gestart met het Rembrandt Research Project (RRP) onder auspiciën van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).[18] Kunsthistorici bundelden hun krachten met experts uit andere disciplines om de authenticiteit te bepalen van werken die aan Rembrandt toegeschreven werden. Hierbij werd gebruikgemaakt van allerlei methoden, waaronder de nieuwste methoden voor technische diagnostiek, om een complete catalogus van zijn schilderijen samen te stellen. Als gevolg hiervan werden veel schilderijen die eerder aan Rembrandt waren toegeschreven van de lijst geschrapt. Veel daarvan worden nu gezien als het werk van een van zijn leerlingen. Dit onderzoek is nog steeds gaande (2005).
De eerste film over Rembrandt (waarschijnlijk rond 1912) is verloren gegaan en enig naslagwerk is er ook niet over, in de jaren die volgen verschijnen er in de Verenigde Staten films als The Stolen Rembrandt en Is this a Rembrandt die meer om de schilderijen draaien. In 1936 verschijnt er een Amerikaanse Rembrandt film met Charles Laughton in de hoofdrol.
Nederland volgt vier jaar later in 1940, met een Rembrandt film. Geregisseerd door Gerard Rutten en in het geheim opgenomen. De Duitse bezetters vonden na ontdekking dat de film niet helemaal naar hun maatstaven behoorden, maar de Nederlandse makers wilde er niets meer aan veranderen. In 1942 kwamen de Duitsers met een eigen versie van de film, waarvan schijnbaar filmmateriaal was gebruikt van de 1940 film.
In 1957 maakte Bert Haanstra een korte documentaire over Rembrandt, gevolgd door Jos Stelling met zijn Rembrandt fecit 1669, over de laatste levensjaren van Rembrandt. In 1999 verschijnt er de grote Europese productie Rembrandt met Klaus Maria Brandauer in de hoofdrol, in de film word Engels gesproken. In juli 2006 is een musical in première gegaan over het leven van Rembrandt, getiteld: Rembrandt De Musical met Henk Poort en Syb van der Ploeg beurtelings in de rol van Rembrandt. De Britse filmregisseur Peter Greenaway heeft een film gemaakt over Rembrandt en diens drie vrouwen. De film, Nightwatching, werd gemaakt tijdens het Rembrandtjaar 2006 en ging in 2008 in première.
In de Molen van Sloten (bij Amsterdam) is een presentatie 'Rembrandt op zolder' te bezichtigen, met daarin wassen beelden van Rembrandt en diverse van zijn personages. Het idee om dit in een molen onder te brengen is ontstaan vanwege het feit dat Rembrandt zoon van een molenaar in Leiden was. De Molen van Sloten is een van de weinige in Holland die (bijna) iedere dag voor publiek geopend is. Onder de oude eiken balken is een audiovisuele presentatie over het leven van Rembrandt in 7 talen (naast Nederlands, Engels, Duits en Frans, ook Italiaans, Spaans en Japans). Beelden, gemaakt naar figuren die op schilderijen van de molenaarszoon Rembrandt voorkomen, komen hier tot leven.
In 2006 was het "Rembrandtjaar" Er werd gevierd dat Rembrandt van Rijn vierhonderd jaar geleden werd geboren in Leiden. Hoewel wetenschappers er al jaren op wijzen dat Rembrandt waarschijnlijk in 1607 geboren is, gingen de festiviteiten door.
Aldus werden tal van activiteiten georganiseerd, die een recordaantal buitenlandse bezoekers hebben getrokken. De voornaamste expositie was Rembrandt - Caravaggio in Amsterdam, naast diverse tentoonstellingen in het Rembrandthuis en in het Stedelijk Museum de Lakenhal in Leiden, waaronder één met zijn complete etswerk.
De Beurs van Berlage organiseerde een controversiële tentoonstelling waarbij praktisch alle Rembrandts te zien waren. Een unieke mogelijkheid om zijn hele oeuvre op ware grootte bijeen te zien. In reproductie, dat wel... De tentoonstelling werd in twee maanden tijd door meer dan 60.000 bezoekers bezocht.