Het werkwoord (Latijn: verbum) is een woord dat in veel talen samen met het subject (onderwerp) en eventueel een object (voorwerp) de basis vormt van een zin. Werkwoorden drukken een actie (doen, gooien), toestand (zijn, staan, drijven) of een gebeurtenis (sterven, glinsteren) uit.
Inhoud |
Men onderscheidt overgankelijke (transitieve) en onovergankelijke (intransitieve) werkwoorden.
Overgankelijke of transitieve werkwoorden hebben naast een onderwerp ook één of twee objecten:
Deze zin heeft één object. Jan is het onderwerp en Piet is object (in dit geval lijdend voorwerp).
Deze zin heeft twee objecten: Piet en een boek (Piet is meewerkend voorwerp, een boek lijdend voorwerp).
Kenmerkend is dat het object subject wordt en vice versa, wanneer je het werkwoord passief maakt. Bijvoorbeeld: 'ik sla hem' [passiveren->] 'hij wordt door mij geslagen'.
Onovergankelijke of intransitieve werkwoorden hebben geen object:
Er zijn ook werkwoorden die zowel met als zonder object kunnen optreden:
In veel talen veranderen werkwoorden van vorm (vervoeging) al naargelang het getal en de persoon. Met getal wordt bedoeld enkelvoud (singularis) of meervoud (pluralis). Sommige talen kennen ook nog het tweevoud (dualis). Persoon onderscheiden wij in eerste, tweede en derde persoon. Deze zijn in het enkelvoud: (1) ik, (2) jij en u (en gij) en (3) hij, zij en het. In het meervoud: (1) wij, (2) jullie en u en (3) zij.
Zie werkwoord (Nederlands) voor informatie over hoe dit in het Nederlands wordt gerealiseerd.
Werkwoorden worden ook vervoegd naar tijd (tempus mv:tempora):
Werkwoorden kennen de volgende wijzen (modi):
Aantonende wijs (indicatief)
Dit is de "normale" vorm van het werkwoord, die de werkelijkheid aangeeft: ik loop, hij liep.
Onbepaalde wijs (infinitief)
Het hele werkwoord: lopen.
Gebiedende wijs (imperatief)
Deze geeft over het algemeen een bevel weer: loop!
Aanvoegende wijs (conjunctief)
De basisbetekenis van de conjunctief is iets dat niet waar is, iets waarvan niet zeker is of het waar is of iets waarvan men wenst dat het waar is: hij zou lopen, hij zou dat gezegd hebben, ik wou dat het zo was. In het Nederlands is er geen aparte vorm meer voor de conjunctief. Wij gebruiken de verledentijdsvorm (was het maar zo) en/of omschrijven de wijs met het hulpwerkwoord zullen: ik zou het niet doen. In enkele gevallen komen nog echte conjunctiefvormen voor. Bijvoorbeeld in leve de koningin!, het ga je goed , men zegge het voort en Tijdens de rechtszaak kwamen alle gruwelijke details over het drama aan bod. Wie daar kennis van wil nemen, leze de Telegraaf van vrijdag.
| WERKWOORD : de WIJZEN | ||
| modi | wijzen | voorbeeld |
| Infinitief | onbepaalde wijs | lopen |
| Participium | deelwoord | lopende |
| Indicatief | aantonende wijs | ik loop |
| Imperatief | gebiedende wijs | loop! |
| Conjunctief | aanvoegende wijs | dat hij lope |
| Conditionalis | voorwaardelijke wijs | Als ...,zou hij lopen |
| Optatief | wensende wijs | moge hij lopen |
| Gerundium | verbaal substantief | het lopen |
| Gerundivum | verbaal adjectief | lopend |
| Supinum | verbaal substantief | het lopen |
| Zoek werkwoord op in het WikiWoordenboek. |