Een zaadcel of spermatozoön is de mannelijke haploïde geslachtscel, die ontstaan is door een bepaalde vorm van celdeling, genaamd meiose. Een zaadcel kan een eicel bevruchten om een zygote te vormen, dat tot een nieuw organisme kan uitgroeien.
Zaadcellen worden door de man in grote hoeveelheden gemaakt in de testikels en in het sperma bij de ejaculatie met miljoenen tegelijk uit het lichaam getransporteerd.
Menselijke zaadcellen hebben een kop van 0,005 bij 0,003 mm en een staart van 0,05 mm lang. De staart wordt door de zaadcel gebruikt om zich voort te bewegen. De zaadcel bevat slechts een zeer kleine hoeveelheid cytoplasma, hij heeft de specifieke functie van het transport van het DNA.
Net voor de staart liggen erg veel mitochondriën die voor de energievoorziening dienen. In de kop van de zaadcel zit het acrosoom, dat een enzym bevat waarmee de eiwitlaag van de eicel afgebroken kan worden. Zo kan de zaadcel de eicel binnendringen.
Zaadcellen werden in 1679 door Antoni van Leeuwenhoek ontdekt.
Een zaadcel kan in het lichaam van de vrouw gemiddeld 2 dagen overleven.
| Voortplantingssysteem | |
|---|---|
|
Vrouw: Eierstok (Ovaria) - Eileider (Tuba ovaria) - Baarmoeder (Uterus) - Baarmoederhals (Cervix) - Vagina (Schede) |